Logo Ruimtevolk klein
artikelen

4 juli 2012 • RUIMTEVOLK

Van niemand en iedereen tegelijk

Combineer strategieën om van openbare ruimtes echte ontmoetingsplekken te maken.

Openbare ruimtes. Van niemand en iedereen tegelijk. En dus vaak van niemand. De vraag is hoe je er voor zorgt dat mensen zich betrokken voelen bij zo’n plek. En dat je werkelijk een plaats van ontmoeting creëert zoals zovelen willen. Het antwoord ligt voor de hand maar wordt nog weinig toegepast: ontwerp niet voor de eeuwigheid, betrek gebruikers, zet programmering in als onderdeel van je strategie en koppel hier grotere thema’s aan zodat je ook het bereik van de plek vergroot.

Combinatie van strategieën
Ik hoor en zie het vaak om me heen. Openbare ontmoetingsplaatsen die niet gebruiksvriendelijk zijn, niet aansluiten bij de behoeftes vanuit de omgeving of (nog erger) zielloos zijn. Kijk naar het gebruik van grind bij het, verder prachtig ontworpen, Museumpark in Rotterdam (zie foto boven). Lastig doorheen te lopen en een zeer vervelende ondergrond voor tenten. Terwijl dit plein intensief gebruikt gaat worden door festivals als De Parade en de Pleinbios. Of de veelal volledig lokale programmering van pleinen in Amsterdam-Noord. Waar juist dit stadsdeel intensief op zoek is naar een verbinding tussen oude en nieuwe bewoners. Het invliegen van festivals in stadsparken, die vaak niets met deze omgeving te maken hebben, is begrijpelijk maar levert nauwelijks een bijdrage aan het dagelijks gebruik van dit soort plekken.

Illustratie door Mathis J. Bout (URBMATH)

Om een stuk openbare ruimte succesvol te maken moeten we kijken naar een combinatie van strategieën. Een klein maar goed voorbeeld is de Schommeltuin van de Tolhuistuin  in Amsterdam. Een openbare plek die ontworpen is door kunstenaars, gebouwd met buurtbewoners, geprogrammeerd in samenwerking met partijen als de plaatselijke moskee en DUS Architects. Met schommels, een koffiebar en 3-d printers. Lage en hoge cultuur. En dus komen er verschillende doelgroepen op af. Ja het traject is intensief, maar het resultaat is precies waar je op hoopt.

Stedelijke software
Een succesvolle openbare ruimte is een plek waar je je thuis voelt en die tegelijkertijd open staat voor nieuwe invloeden en nieuwe gezichten. Waar verschillende mensen, ideeën en culturen elkaar kunnen ontmoeten. De basis van dit soort plekken wordt gevormd door de dagelijkse gebruikers. Marcus Westbury noemt dit ook wel de software van steden. Waar veel stedelijke ontwikkelaars de focus leggen op de hardware, is vooral deze software van belang voor het ontwikkelen van aantrekkelijk gebieden. De aanpak van een openbare ruimte zou daarom in eerste instantie moeten gaan over herprogrammeren in plaats van herbouwen. Cruciaal daarbij is de notie dat de gebruikers van nu vaak niet dezelfde zijn als die over 10 jaar. De levensduur van een ontwerp of de programmering van een plek moet je daarom niet voor een te lange periode vastleggen.

Flexibele en tijdelijke programmering is de toekomst voor het ontwikkelen van steden en gebieden. Deze werkwijze is niet alleen een goede optie in tijden van recessie. Je kan hierdoor vooral beter inspelen op de steeds snellere omlooptijd van trends en technologische ontwikkelingen en de diversiteit van onze inwoners. Leden van New York’s ‘Projects for Public Spaces’ (PPS) hebben het over de “lighter, quicker and cheaper” aanpak. Het is een vorm van programmeren die bij uitstek geschikt is om mensen te betrekken, ontmoeting te stimuleren en een koppeling te maken met bijvoorbeeld winkels, culturele instellingen en leegstaande panden. Door het verbinden en mengen van deze functies ontstaan niet alleen ontmoetingsplaatsen tussen mensen, maar ook tussen ideeën.

Van lokaal naar grootstedelijk
Op deze lokale strategieën moet voortgebouwd worden om ook mensen van buiten de directe omgeving te trekken. Door een koppeling met trends breng je de programmering op grootstedelijk niveau. Vanuit de leefwereld van de bestaande gebruikers kan je verbinding zoeken met thema’s die een grotere doelgroep aanspreken. Ga in je programmering de verbinding met trends aan en betrek hierbij vooral jonge creatieven. Op deze manier maak je de plek onderdeel van deze ontwikkelingen, spreekt deze een bredere doelgroep aan en creëer je kansen om van jouw gebied een hotspot te maken. Zoals bij de Schommeltuin waar de combinatie van laagdrempelige schommels met de trend van 3-d printers (zodat kinderen hun eigen vogelhuisjes kunnen maken) en de geur van ambachtelijk vers gebrande koffie het geheel tot een succes maakt.

3-d printers in de Schommeltuin in Amsterdam, foto: Donica Buisman

Het toepassen van deze combinatie van strategieën is arbeidsintensief en vereist een multidisciplinaire aanpak. Expertise op het gebied van (festival)programmering, architectuur, stedenbouw, duurzaamheid en “groen in de stad” is noodzakelijk om de input van gebruikers optimaal in te kunnen zetten.

Het resultaat is meer dan een openbare ontmoetingsplaats. De combinatie tussen de wereld van bestaande gebruikers en grootstedelijke trends geeft een boost aan het imago van onze wijken en steden. Lokale ondernemers krijgen daarbij de kans nieuwe doelgroepen aan te spreken en de koppelingen tussen partijen draagt bij aan de sociale cohesie in het gebied.

Schouwburgplein Rotterdam
Altijd als ik aan deze werkwijze denk, denk ik aan het Schouwburgplein in Rotterdam. Na jaren van ongemak wordt het plein nu eindelijk aangepakt. Zowel in de hardware, wat absoluut noodzakelijk is, als via een aanvullend plan voor programmering. Hierbij wordt echter nog te weinig gewerkt vanuit het scala aan bestaande ondernemers in het gebied. Ja, natuurlijk wel vanuit de culturele organisaties, maar niet mét de oud-Rotterdamse cafébazen, de Griekse en Aziatische restaurants en verschillende winkeltjes. Een gemiste kans. Want juist in die combinatie ligt het ware hart van het plein en een weerspiegeling van de waanzinnige culturele mix die Rotterdam rijk is. De ontmoeting tussen deze werelden zou het plein pas echt een boost geven.

Het Schouwburgplein in Rotterdam, bron: Rotterdam.nl

 

Foto boven: Museumpark Rotterdam, foto: Donica Buisman

  • Vincent Kompier

     

    Berlijn leert mij dat door gebrek aan geld voor hoogwaardig
    en duur design voor de openbare ruimte de focus sterk op gebruik ligt. Gebruik dat
    niemand uitsluit en iedereen betrekt. Dus geen VIP-gedoe voor
    de happy few maar ook niet iedereen op de bon slingeren die met
    een biertje rondloopt. Het gaat inderdaad om een combinatie van strategieën. En
    in de juiste volgorde. Dus niet architecten iets laten ontwerpen en dan
    achteraf aan gebruikers vragen wat ze er van vinden.

    Daarbij wordt de drempelwerking van overdadig design veel te
    veel onderschat. Het zou mooi zijn als daar eens flink over werd gediscussieerd. Veel
    design is op Ons Soort Mensen gericht en sluit daarmee anderen uit. Dit al te
    gemakkelijke niet-verdiepen in voor wie je wat maakt is weliswaar sneller en
    frictieloos, maar die tijden zijn nu door de crisis hopelijk over. Leren
    programmeren, dat is terecht waar het om gaat. Dan komt de rest (en de mensen) als
    vanzelf.

    Ooit heb ik meegewerkt aan het bewerken van de PPS-principes naar een Nederlandse context. Kan ik iedereen aanraden tot zich te nemen vanwege de verfrissende blik op de rol van de openbare ruimte.

    • Donica Buisman

      Van PPS kunnen we in Nederland nog een hoop leren, zoveel is duidelijk. Ik ben dan ook erg benieuwd naar de PPS-principes voor een Nederlandse context, Vincent. En ik lees graag je afstudeeronderzoek, Steven. 

      Met jouw opmerking om van openbare ruimtes als doorgangsruimte naar bestemmingsruimte te gaan ben ik het helemaal eens. Uiteraard geldt hierbij dat dit niet op elke openbare ruimte van toepassing is, zoals Tijl aangeeft. En daarbij worden veel openbare ruimtes inderdaad overgeprogrammeerd. 

      Regie is belangrijk. Een totaalprogramma over een langere periode bij voorkeur. In de praktijk blijkt dit natuurlijk vaak moeilijk, want wie regelt die sturing dan? Ik denk dat hiervoor in de planvorming van openbare ruimtes een cruciale denkomslag moet komen. Het maakbaarheidsprincipes (we leveren dit nu op en dan is het ‘af’) moet sowieso overboort. Je bent continue aan het sturen, dus maak dit ook onderdeel van je planvorming en gebruik programmering daarin. 

      Bij het opzetten van de PvE moet daarbij niet alleen naar de stedenbouwkundige en functionele kant van het plein gekeken worden, maar ook naar de potentie. Ik denk dat hier het ‘emotionele programma’ van de Omgevingspsycholoog bij aansluit. Ik noem dat de leefwereld van de gebruikers. Wie zijn ze, waar houden ze van, en wat zijn hun wensen. Als je daar in duikt krijg je niet alleen een goed beeld van deze gebruikers maar ook van de thema’s en mogelijke trends die een bredere doelgroep kunnen aanspreken.

      Mijn excuses voor de late reactie overigens; ik was met vakantie.

  • Vincent Kompier

     

    Berlijn leert mij dat door gebrek aan geld voor hoogwaardig
    en duur design voor de openbare ruimte de focus sterk op gebruik ligt. Gebruik dat
    niemand uitsluit en iedereen betrekt. Dus geen VIP-gedoe voor
    de happy few maar ook niet iedereen op de bon slingeren die met
    een biertje rondloopt. Het gaat inderdaad om een combinatie van strategieën. En
    in de juiste volgorde. Dus niet architecten iets laten ontwerpen en dan
    achteraf aan gebruikers vragen wat ze er van vinden.

    Daarbij wordt de drempelwerking van overdadig design veel te
    veel onderschat. Het zou mooi zijn als daar eens flink over werd gediscussieerd. Veel
    design is op Ons Soort Mensen gericht en sluit daarmee anderen uit. Dit al te
    gemakkelijke niet-verdiepen in voor wie je wat maakt is weliswaar sneller en
    frictieloos, maar die tijden zijn nu door de crisis hopelijk over. Leren
    programmeren, dat is terecht waar het om gaat. Dan komt de rest (en de mensen) als
    vanzelf.

    Ooit heb ik meegewerkt aan het bewerken van de PPS-principes naar een Nederlandse context. Kan ik iedereen aanraden tot zich te nemen vanwege de verfrissende blik op de rol van de openbare ruimte.

  • Steven Stolk

    Gedurende mijn afstudeeronderzoek naar Stedelijke Groene Openbare Ruimte als Waardecreateur raakte ik vorig jaar in New York in gesprek met Fred Kent (PPS). Op vrij eenvoudige wijze beredeneerde hij het verschil tussen succesvolle en minder succesvolle openbare ruimten in de stad. De conclusie was inderdaad dat gebruik één van de belangrijkste, zo niet het belangrijkste, ingrediënt is om een plek goed te laten functioneren. 

    Ik ben van mening dat deze gedachtegang in Nederland nog teveel ontbreekt. De schaal van een park of plein wordt vaak zover afgebakend dat er uiteindelijk alleen nog maar over het type stoeptegel gediscussieerd wordt, niet over wat een plek voor de rest van de stad kan betekenen. Met deze afbakening sluit je niet alleen potentiële belanghebbenden uit, ook haal je alle potentiële economische waarde uit een gebied. Eén van de principes die Kent noemde was “The power of ten”. De essentie hiervan is dat je als stad op verschillende schaalniveaus je bewoners en bezoekers iets moet bieden. Dit kunnen activiteiten zijn (“things to do”) of elementen welke de plek an sich de moeite waard maken om te bezoeken (“reasons to be there”). Het starten van kleine initiatieven terwijl lokale partijen daarbij betrokken worden kan uiteindelijk op grootstedelijk niveau een aantrekkelijk leefklimaat creëren. De vraag is hoe je de expertise van verschillende strategieën kunt bundelen in één gezamenlijke aanpak voor een bepaalde plek. En wellicht belangrijker: hoe de nodige financiering voor de programmering kan worden verkregen. De “Conservancies” en “Friends of” organisaties in New York lijken hier in te slagen. Highline Park, Bryant Park, Brooklyn Bridge Park, Washington Square Park, Central Park en Hudson River Park zijn succesvolle parken met in de meeste gevallen een stevige financiële basis. De door hen toegepaste denk- en handelswijzen waaieren langzaam uit over de minder bevoordeelde plekken in de stad, maar dit is een moeizaam proces. Een voorbeeld hiervan is het Maria Hernandez Park in Brooklyn, waar Dan Biederman (Bryant Park Corporation) in samenwerking met de gemeente fysieke en programmatische verbeteringen aan het park uitvoert.Het is onmogelijk om de succesverhalen van New York te kopiëren naar Nederland zonder de context in ogenschouw te nemen. Nederland kent nu eenmaal een andere dichtheid aan bebouwing en publiek en van de hoeveelheden fondswerving die de parken daar genieten kunnen wij alleen maar van dromen. Wel bieden ze behoorlijk veel inspiratie en is er bovendien voldoende gedeelde problematiek waar oplossingen voor gezocht moeten worden. Duidelijk is mij wel geworden dat, wil men de maatschappelijke en economische waarde van onze groene stedelijke openbare ruimte meer benutten, parken in Nederland meer beschouwd moeten worden als ‘bestemming’ in plaats van ‘doorgangsruimte’ en ook op die manier moeten worden ingericht en geprogrammeerd. We zijn op de goede weg. In het Vroesenpark in Rotterdam is er een theehuis op komst en over enkele weken beginnen in het Museumpark de filmavonden. Voor een kleine vergoeding kun je deelnemen aan een activiteit die Fred Kent wellicht binnen zijn “Power of ten” heeft staan.

    • Marion de Haan, New Urban Link

      Naast een stedenbouwkundig PvE is een functioneel PvE heel belangrijk, liefst gemaakt in overleg met potentiele gebruikers van een ruimte. Waarom dit zo weinig gebeurt is mij een raadsel. Hoeft niet veel tijd en geld te kosten. Het combineren van vakgebieden, snappen van elkaars opgaven, helpt bij het kunnen ‘spelen’ met realistische en aantrekkelijke oplossingsvarianten. Dit traject geeft veel werkplezier en belangrijke inzichten over het gebied / gebouw / plein en zijn (toekomstige) gebruikers.

      • Tijl Dejonckheere

        Denk dat het belangrijk is een onderscheidt te maken tussen
        openbare ruimte met als functie ‘ontmoetingsplek’ en openbare ruimte in de
        brede zin van het woord. Ben het met je eens dat als je een ontmoetingsplek wil
        maken de centrale vraag moet zijn, wie wat en waarom mensen er samen zouden
        komen. En ook of de positie in het stedelijk weefsel deze functie ondersteund,
        is het er de goede plek voor?

         

        Ik denk tegelijkertijd dat een belangrijk deel van de openbare ruimte
        juist te leiden heeft aan een overprogrammering op dit moment. Buurtgroen als
        bindmiddel in de wijk (zonder specifieke programmering heeft ook een functie,
        het houdt de openbare ruimte bijelkaar en zorgt voor een rustige achtergrond
        waartegen het stedelijke leven zich afspeelt. Veel initiatieven richten zich
        tegenwoordig op het programmeren van deze ‘ogenschijnlijke’ ‘nutteloze’ groene
        ruimtes. Hierdoor versnippert de openbare ruimte in allerlei ‘semi openbare of
        ronduit private ideetjes’, waardoor de uitstraling en samenhang van de buurt verdwijnt
        en tevens het beheer uitermate complex en duur wordt. Het ontmoeten en
        programmeren staat dan tegenover de ruimtelijke samenhang op een grotere
        schaal. Denk dat met name dit laatste punt in het huidige politieke klimaat een
        groter gevaar vormt de kwaliteit van de openbare ruimte. Het goed programmeren
        van openbare ruimtes is met de juiste aanpak in goede banen te leiden, maar nee
        zeggen tegen een aantal buurtbewoners die een ideetje hebben voor het
        groenstrookje voor de deur blijkt in de praktijk veel lastiger.

      • Of een emotioneel programma van eisen? Wat drijft bewoners. Waarom maken ze wel of geen gebruik van de openbare ruimte?

        Waarom dit zo weinig gebeurt is denk ik de al oude reden  ‘zo doen we dat altijd’ 😉

        • Tijl Dejonckheere

          Een emotioneel programma van eisen.

          Waar zit je dan aan te denken?

        • In ons vorige college stedebouw werd een voorbeeld uitgelegd over een extreem geval in een
          achterstandswijk in Washington.

          In het kort ging het om een wijk waar bende-geweld veelvoudig aanwezig was. Het ging hier om een etnisch gemengde wijk. Na een dodelijke schietpartij was er een blanke leraar die op eigen initiatief een bijeenkomst organiseerde waarbij
          de ouders/voogden van deze bende-jongeren en de (blanke) bewoners van deze wijk verzameld werden. Wat bleek nou? De bewoners van de wijk leefden allemaal in hun eigen wereld, maar waren allemaal toch net zo bezorgt over de toestand in hun wijk.

          Omdat de stad het probleem niet kon/wou aanpakken kwamen de bewoners zelf met het idee om een veilige haven te creëren. Een verpauperd park werd daardoor bestempeld als
          veilige haven. De ouders/voogden van de bende-jongeren sommeerden hun (klein-)kinderen alle criminele activiteiten buiten het park te houden.

          Tegelijkertijd probeerden ‘normale’ bezoekers van het park hun instelling tegenover deze jongeren te veranderen. In plaats van te zeggen: ‘Wat moet je hier?’ gingen ze mensen vragen: ‘Kan ik je ergens mee helpen?’, ‘Zit je ergens mee?’.

          Dit initiatief zorgde ervoor dat het park veelvoudig gebruikt werd in de tijd na de
          bijeenkomst. Daaropvolgend groeide de schoonheid van het park weer, mensen vonden het park belangrijk genoeg om het schoon te houden en onderhouden.

          Dus wat ik in het kort wil zeggen, en wat ook de conclusie was van onze leraar Stedebouw: Als je ergens mee zit, kijk dan niet meteen naar gemeentelijke of provinciale instanties. Kijk wat voor mogelijkheden en initiatieven je zelf kan beginnen.

          Het
          belangrijkste van een openbare ruimte is het gebruik, hoe meer mensen er
          gebruik van maken hoe meer het gaat leven.

    • Marion de Haan, New Urban Link

      Naast een stedenbouwkundig PvE is een functioneel PvE heel belangrijk, liefst gemaakt in overleg met potentiele gebruikers van een ruimte. Waarom dit zo weinig gebeurt is mij een raadsel. Hoeft niet veel tijd en geld te kosten. Het combineren van vakgebieden, snappen van elkaars opgaven, helpt bij het kunnen ‘spelen’ met realistische en aantrekkelijke oplossingsvarianten. Dit traject geeft veel werkplezier en belangrijke inzichten over het gebied / gebouw / plein en zijn (toekomstige) gebruikers.

  • Donica Buisman

    Van PPS kunnen we in Nederland nog een hoop leren, zoveel is duidelijk. Ik ben dan ook erg benieuwd naar de PPS-principes voor een Nederlandse context, Vincent. En ik lees graag je afstudeeronderzoek, Steven. Met jouw opmerking om van openbare ruimtes als doorgangsruimte naar bestemmingsruimte te gaan ben ik het helemaal eens. Uiteraard geldt hierbij dat dit niet op elke openbare ruimte van toepassing is, zoals Tijl aangeeft. En daarbij worden veel openbare ruimtes inderdaad overgeprogrammeerd. Regie is belangrijk. Een totaalprogramma over een langere periode bij voorkeur. In de praktijk blijkt dit natuurlijk vaak moeilijk, want wie regelt die sturing dan? Ik denk dat hiervoor in de planvorming van openbare ruimtes een cruciale denkomslag moet komen. Het maakbaarheidsprincipes (we leveren dit nu op en dan is het ‘af’) moet sowieso overboort. Je bent continue aan het sturen, dus maak dit ook onderdeel van je planvorming en gebruik programmering daarin. Bij het opzetten van de PvE moet daarbij niet alleen naar de stedenbouwkundige en functionele kant van het plein gekeken worden, maar ook naar de potentie. Ik denk dat hier het ‘emotionele programma’ van de Omgevingspsycholoog bij aansluit. Ik noem dat de leefwereld van de gebruikers. Wie zijn ze, waar houden ze van, en wat zijn hun wensen. Als je daar in duikt krijg je niet alleen een goed beeld van deze gebruikers maar ook van de thema’s en mogelijke trends die een bredere doelgroep kunnen aanspreken.Mijn excuses voor de late reactie overigens; ik was met vakantie.