Logo Ruimtevolk klein
blogs

1 september 2013 • Sjors de Vries

De ontdekking van het wijkkapitaal

Het 'wijkkapitaal' en 'gedeeld eigenbelang' bieden een interessant denkkader en nieuwe perspectieven voor stedelijke vernieuwing.

Het was voor de professionals in de wijkvernieuwing weer even schrikken en slikken deze zomer, toen het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) met zijn rapport “Werk aan de wijk” vraagtekens zette bij de maatschappelijke opbrengst van de miljoeneninvesteringen in de krachtwijken. Het was niet de eerste kritiek op de wijkaanpak. Toch reageren veel betrokkenen als door een wesp gestoken. Onverstandig, want voor een herijking van de geldende beleids- en interventietheorieën is veel te zeggen. Al is het maar om stedelijke vernieuwing overeind te houden in een tijd van bezuinigingen en afnemende investeringsruimte bij woningcorporaties. Het goede nieuws is dat het aanwezige wijkkapitaal en ‘gedeeld eigenbelang’ een duurzame bron en wenkend perspectief is voor de stedelijke vernieuwing van morgen.

Uiteraard is er veel af te dingen op de analyse van het SCP. Want ondanks de sombere statistieken weet iedereen die de wijken kent waarin de afgelopen jaren flink is geïnvesteerd dat de kwaliteit van leven er in algemene zin op vooruit is gegaan. Daarnaast is een vergelijking van wijken, interventies en resultaten er per definitie een van appels en peren, en dus weinig zinvol. Bovendien zijn er genoeg andere onderzoeken die aantonen dat de stedelijke vernieuwingsaanpak wel degelijk positieve effecten heeft op de leefbaarheid in de wijken.

De analyses en interventies van de afgelopen jaren passen niet meer goed bij de opgaven, inzichten en mogelijkheden van deze tijd.

Op z’n minst heeft het krachtwijkenbeleid – en zo concludeert ook het SCP – in de meeste wijken de neerwaartse spiraal tot stilstand gebracht en er mede voor gezorgd dat de Nederlandse definitie van ‘probleemwijk’ in internationale context nog steeds relatief en redelijk uniek is. Echte ‘ghetto’s’ kennen we gelukkig nog steeds niet. In dat opzicht zijn we dus zeker succesvol en genieten we een uitstekende internationale reputatie.

Paradigma
Toch is er alle aanleiding om kritische kanttekeningen bij de effecten van de wijkaanpak in deze tijd serieus te nemen. Niet alleen omdat de vette jaren van de vele miljoeneninvesteringen en royale rijkssubsidies achter de rug zijn, maar ook omdat de analyses en interventies van de afgelopen jaren simpelweg niet meer goed passen bij de opgaven, inzichten en mogelijkheden van deze tijd. In plaats van steeds in de kramp te schieten bij kritische reflecties op de stedelijke vernieuwingsaanpak, is het veel zinvoller als de vakwereld zich oriënteert op een alternatief voor het verouderde stedelijke vernieuwingsparadigma.

presikhaaf-arnhem

Het huidige stedelijk vernieuwingsparadigma staat – los van alle nuances en sectorale sociale interventies – voor verbetering van de leefbaarheid en woonkwaliteit in de wijk door grootschalige fysieke vernieuwingsoperaties. Daarmee wordt beoogd meer variatie en daarmee toekomstwaarde toe te voegen aan de wijk. Vanuit dit paradigma is onder regie van de lokale overheid en woningcorporaties in het hele land een vergelijkbaar palet aan fysieke en sociale (top-down) interventies toegepast: verbetering van de woningvoorraad en openbare ruimte, toevoegen van duurdere woningen, realiseren van multifunctionele complexen en een aantal sociale interventies met name gericht op zogenoemde probleemhuishoudens. In zekere zin was er sprake van een beleids- en interventiemal, waarin overheden en corporaties hun legitimatie en financiële en maatschappelijke dekking voor hun visie en aanpak vonden. De aanpak was daardoor bovendien gefixeerd op vastgoed en gevangen in een sloop- en bouwcultuur.*

RUIMTEVOLK Lab
Dat dit vernieuwingspardigma niet meer past bij de huidige context mag duidelijk zijn. Niet alleen zijn de maatschappelijke opgaven en het economisch klimaat veranderd, ook is de overheid druk bezig met het hervormen van de verzorgingsstaat en wordt er in toenemende mate een beroep gedaan op de zelforganisatie in de samenleving. Deze ontwikkelingen hebben verregaande consequenties voor de huishoudens, ondernemers en organisaties in de wijken. Het inzicht dat de wijkaanpak hierop zal moeten aansluiten en anticiperen, is niet nieuw en al diverse malen opgeschreven (onder andere in de inspirerende KEI-essays ‘Natuurlijke wijkvernieuwing‘ en meer recent ‘Stedelijke vernieuwing op uitnodiging’). Maar echt wortel geschoten hebben de ideeën nog steeds niet. Blijkbaar is het lastig loskomen van een geldend paradigma en kan niet iedereen zich een goed beeld vormen van een nieuw perspectief, een nieuw kapitaal voor de stedelijke vernieuwing.

RUIMTEVOLK-Lab-nieuw-kapitaal-stedelijke-vernieuwing

Op 27 juni 2013 vond in de Fabriek van Delfshaven een RUIMTEVOLK lab plaats over de toekomst van stedelijke vernieuwing. Aan het lab namen deel: Anton den Engelse (Ruimteprojecten), Bram Klouwen (Companen), Donica Buisman (State of Flux), Gijsbert Koren (Douw@Koren), Henk Zoeteman (Rizoom), Ina Wernsen (Início), Patrick Boel (Ontwikkelaar wijkondernemingen), Martin van Briemen (Início), Nel de Jager (Binnenstadsmanager), Sander de Rijke (Qoin), Judith Lekkerkerker (RUIMTEVOLK) en Sjors de Vries (RUIMTEVOLK)

Een tiental bevlogen en betrokken deskundigen hebben deze zomer tijdens een RUIMTEVOLK Lab de handschoen opgepakt en concreet verkend waar het ‘nieuwe kapitaal’ voor de stedelijke vernieuwing zit en hoe dit is te vangen. Het bleek al snel dat de aanknopingspunten voor de ‘wijkaanpak nieuwe stijl’ deels gezocht kunnen worden in de beginselen van het gedachtengoed van de ‘civic economy’ (maatschappelijk ondernemerschap, innovatie en de inzet van lokaal sociaal kapitaal en netwerken) en ‘big society’ (het idee dat burgers zelf meer regie gaan voeren over publieke taken). En hoewel daar prachtige (internationale) voorbeelden van zijn (onder andere in het boek ‘Compendium for the Civic Economy‘), is het nog een hele uitdaging om deze abstracte, holistische begrippen te vervangen door concrete perspectieven die passen bij de praktijk en cultuur van de Nederlandse wijkaanpak. De deelnemers aan het lab gaven zichzelf de opdracht dit nader uit te werken. Dat resulteerde in een aantal interessante en kansrijke perspectieven.

Het ‘wijkkapitaal’
Bij het wijkgericht werken moeten partijen zich beter bewust zijn van het aanwezige en potentiële ‘wijkkapitaal’. Het wijkkapitaal is een verzamelbegrip voor al het aanwezige kapitaal in een wijk dat ingezet kan worden voor het verbeteren van de leefbaarheid of toekomstwaarde van een wijk. Bijvoorbeeld de in de wijk aanwezige gebouwen, openbare ruimte, mensen, organisaties, geld(stromen), netwerken – en daarmee dus ook de afzonderlijke en collectieve kwaliteiten en potenties. Vanuit het oogpunt van de afnemende overheidsbudgetten en opkomst van de ‘civil economy’ is het in kaart brengen van dit wijkkapitaal (‘community assets mapping‘) een logisch vertrekpunt van stedelijke vernieuwing nieuwe stijl.

Waar in de stedelijke vernieuwing de kracht en potentie van het (gedeelde) eigenbelang nog wel eens werd vergeten, staat dit bij de moderne stedelijke revitalisatie centraal.

De definitie van wijkkapitaal gaat fundamenteel verder dan de traditionele ‘bewonersparticipatie’, het overdragen van ‘wijkbudgetten’ en ‘het betrekken van maatschappelijke organisaties’ bij de wijkaanpak. Bovendien staat op de balans van het wijkkapitaal nadrukkelijk ook het eigen vermogen en de inventaris van de wijk: de (onderscheidende) kwaliteiten die de wijk nu heeft. Denk aan de betaalbare woningvoorraad, de openbare ruimte, de bevolkingssamenstelling, de ligging, de aanwezige voorzieningen.

Het wijkkapitaal gaat dus niet uit van problemen, maar is een positieve benadering van de wijk. Het gaat uit van de waarde, het bezit dat de wijk en de gemeenschap heeft en uniek maakt. Het wijkkapitaal is daarmee per definitie voor elke wijk anders.

Het eigenbelang
Om dit wijkkapitaal te activeren, moeten interventiestrategieën in wijkvernieuwing meer dan in het verleden gebaseerd zijn op psychologische en sociologische principes, zo concludeerde het lab. Het functioneren en de potentie van een wijk zijn pas goed te begrijpen als we beter inzicht hebben in de intrinsieke drijfveren en (gedeelde) belangen van individuen, organisaties en groepen. Of het nu gaat om de huurder, woningbezitter, belegger, woningcorporatie, gemeente, supermarkt, bakker, sportvereniging, ouder, huisarts, glazenwasser, jongere of oudere: ze hebben allemaal hun (gedeelde) belangen in een wijk.

De kunst van stedelijk revitaliseren is het creatief, strategisch en natuurlijk verbinden van die belangen. Dat moet leiden tot een omgeving die individuen en organisaties verleidt te investeren (geld, tijd, diensten, talenten) in de wijk. Concreet betekent dat bijvoorbeeld vanuit het gedeelde belang van een kindvriendelijke, veilige of voorzieningenrijke wijk, het aanwezige wijkkapitaal van ouders, vastgoedeigenaren, woningcorporaties, overheden, scholen, verenigingen, ondernemers/zzp’ers, vastgoedeigenaren, zorgwereld etc. kan worden gebundeld en gericht kan worden geactiveerd.

Elke wijk heeft zijn eigen thema’s waarop talent, capaciteit, bezit en geldstromen zijn te verbinden en te valoriseren. Waar in de stedelijke vernieuwing de kracht en potentie van het (gedeelde) eigenbelang nog wel eens werd vergeten, staat dit bij de moderne stedelijke revitalisatie centraal.

Breder waardebegrip en nieuwe verdienmodellen
Bij het valoriseren en activeren van het wijkkapitaal en wijkbelangen hoort ook het hanteren van een breder en uitwisselbaar waardebegrip. Een flexibeler waardebegrip biedt de broodnodige ruimte voor wijkinterventies, particulier initiatief en nieuwe verdien- en samenwerkingsmodellen. Denk aan het inrichten van wijkdiensten, dienstenruil, wijkonderneming of het stimuleren van een (alternatieve) beloning voor inzet van particulier initiatief (bijvoorbeeld via Community Currencies zoals De Zuiderling in Rotterdam of de Makkie in Amsterdam). Maar ook aan het kapitaliseren van verduurzaming van vastgoed (drijvende kracht achter Wijkbedrijf Bilgaard in Leeuwarden) en gebruik van leegstaande panden en braakliggende gronden voor de wijk. En last but not least: juist op wijkniveau zijn veel aanknopingspunten om gericht crowdfunding in te zetten (de eerste ervaringen worden op dit moment opgedaan, onder andere via de Wijkkrachtbijdrage in Capelle aan den IJssel).

Stedelijke vernieuwing is het terrein en de ambacht van de ondernemende en improviserende professional, die continu verbinding zoekt en maakt en individuen en organisaties verleidt samen te werken en te investeren vanuit het (collectieve) eigenbelang van een leefbare wijk.

Klimaat 
De stedelijke vernieuwing van morgen is niet meer een lineair en top-down proces – van het bedenken en uitvoeren omvangrijke uitvoeringsplannen en programma’s (projectencarrousel) – maar een open, continu en uitnodigend proces van samenwerken en afstemmen van doelen, geldstromen, plannen en ambities van stakeholders . Om dit voor elkaar te krijgen, moet in de wijkaanpak een klimaat worden gecreëerd waarin, op een vanzelfsprekende en natuurlijke wijze, continu verbindingen worden gelegd tussen mensen, organisaties en waardestromen. Een klimaat waarin ontschotting plaatsvindt, lokale kracht wordt benut en ondersteund en waarin (private) initiatieven opkomen, verdwijnen of blijven.

Het activeren van het wijkkapitaal vraagt dus om een fundamenteel nieuwe manier van denken en werken. Het is het terrein en de ambacht van de ondernemende en improviserende professional, die continu verbinding zoekt en maakt en individuen en organisaties verleidt samen te werken en te investeren vanuit het (collectieve) eigenbelang van een leefbare wijk. Maar het vraagt ook om een strategische overheid die niet alleen los durft te laten en vertrouwt, maar ook om een overheid die haar verantwoordelijkheid neemt en in beleid en interventies maatwerk toestaat en daarvoor keuzes durft te maken.

 

Collage ‘wijkkapitaal’ boven: Sjors de Vries

* Dat beeld van de stedelijke vernieuwing wordt ook geschetst in een onderzoek (‘De omslag‘) dat Stipo in opdracht van zeven woningcorporaties heeft uitgevoerd.

Sjors de Vries

Directeur en programmamanager
Regionale ontwikkeling
Dorpen en platteland
Next economy
Wonen en wijken

Sjors heeft RUIMTEVOLK opgericht vanuit de overtuiging dat de mens meer centraal moet staan in ruimtelijke vraagstukken. Zijn kracht is het vertalen van de vooruitstrevende opgaven van de 21e eeuw naar praktische perspectieven waarmee RUIMTEVOLK steden en regio’s ondersteunt. Met zijn jarenlange ervaring in het adviseren van overheden op verschillende schaalniveaus, weet hij als geen ander de agenda’s van overheden, instituties, marktpartijen, ondernemers en burgers bij elkaar te brengen. Daarnaast heeft hij ruime ervaring met projectmanagement, het modereren en organiseren van bijeenkomsten en het opzetten en coördineren van kennisprogramma’s rondom de opgaven van nu en de toekomst. Sjors is een spin in het web in de ruimtelijke ordening en voor onze opdrachtgevers organiseert hij graag samen met veelzijdige RUIMTEVOLK-netwerk kennis rondom elk mogelijk ruimtelijk vraagstuk. Sjors is van huis uit planoloog en sociaal geograaf.

https://ruimtevolk.nl
  • Ron Buiting

    Prima verhaal. Als het kapitaal van bewoners, bedrijven en maatschappelijke instellingen meer en meer de motor voor ontwikkeling&beheer wordt, is het niet meer dan logisch dat hun belangen ook centraler komen te staan. Hierbij hoort naar mijn idee ook een gezamenlijke probleemdefinitie en ambitiebepaling, waarbij kennis en ervaring van bewoners en bedrijven over de staat van de wijk wordt benut (in plaats van ‘wij als overheid en corporatie weten wat het probleem is, wij hebben onderzoek gedaan, wij…’).
    Ofwel: gebruik zo veel mogeljik bestaande informatie en belevingen van bedrijven, bewoners, instellingen.
    Tot slot pleit ik voor ‘wijkvernieuwing’ in plaats van ‘stedelijke vernieuwing’, aangezien er buiten de steden in Nederand ook nog een gebouwde omgeving bestaat. Om dan toch maar even als ambtenaar aan probleemdefinitie en ambitiebepaling te doen: de wijken uit de jaren ’70 en ’80, die grotendeels buiten de steden liggen, bieden nog een heleboel uitdagingen en kansen voor de komende jaren!

    • Dank je wel Ron. Ik ben het eens met je opmerkingen, hoewel ik achter ‘wijk’ graag ook het woordje vernieuwing zou willen vervangen. Suggesties?

      • Ron Buiting

        goed punt! had eerst wijkontwikkeling opgeschreven. Wijkwerking, wijkbloei, wijkkracht (ipv krachtwijk), zoeken naar iets wat een constante verwoordt, geen associatie met een puur fysieke aanpak heeft en wat meer organisch klinkt. Wijkchemie?

    • Dank je wel Ron. Ik ben het eens met je opmerkingen, hoewel ik achter ‘wijk’ graag ook het woordje vernieuwing zou willen vervangen. Suggesties?

  • Rob Leegwater

    Lees het bekroonde meesterwerk van Errik Buursink ‘Van wie is de Stad’, als je dit vat gloort er een nieuw tijdperk. Afgelopen zondag liet Tegenlicht zien hoe sociaal kapitaal zich momenteel in Griekenland ontwikkeld. Grieken zijn niet te verwarren met Griekenland.

  • Inge Knoope

    Als iets écht een goede en oplossende richting is, wordt die doorgaans op meerdere plekken tegelijkertijd bewust.
    Hoe opwindend is het, om op deze blog precies de ingrediënten te vinden waarmee wij momenteel een praktisch aanbod aan het bouwen zijn. Woorden hebben wij er nog niet zo aan gegeven. Daarom enorme dank voor dit uitgebreide artikel!
    Praktisch doen, daar hebben we des te duidelijker een beeld bij.
    Wie wil proeven, kennismaken, kruisbestuiven, ervaren en uitwisselen?
    Wij willen dat graag van onze kant uit naar jullie, jou en u!
    @_WAAR_ Hans Moerenhout en Inge Knoope

  • Inge Knoope

    Overigens hebben we nog wel deze toevoeging vanuit @_WAAR_:

    We willen een kritisch geluid laten horen over de tendens die er in uw
    tekst sluimert om de revitaliserende processen te willen organiseren.
    Bijvoorbeeld spreekt dat uit de suggestie tot community assets
    mapping. Naar ons idee is dat tijdrovend en ‘achter de feiten
    aanlopend’.

    Community is levend weefsel. Wij pleiten er voor om het als zodanig uit te
    nodigen om tevoorschijn te komen, opdat iedereen een gevoel krijgt
    bij de grotere levende ontwikkelingen en processen waar hij of zij
    deel van uitmaakt. Een kaart van het materiaal is niet het materiaal
    zélf. Nodig mensen bijeen, en je haalt de immateriële
    krachten naar boven: de wijze waarop ze betrokken zijn, de diepte van
    hun commitment, de aard van hun drijfveren, de kleur van hun idealen,
    de liefde voor de locatie, de reikwijdte van hun strategieën maar
    vooral ook de overeenkomsten van hun idee over wat zou kunnen helpen,
    bevorderen en stimuleren én de talloze onderlinge
    verbindingsmogelijkheden. Om een voorbeeld te geven: wie houdt er zó
    veel van die leegstaande fabriek, dat hij er daadwerkelijk in is gaan
    wonen? En wat heeft die “kraker” te maken met de ondernemer die
    om de hoek woont en werkt? Ze zijn elkáárs context en elkaars
    leefwereld en ze vinden iets van elkaar.

    U zegt dat het functioneren en de potentie van een wijk zijn pas goed
    te begrijpen als we beter inzicht hebben in de intrinsieke drijfveren
    en (gedeelde) belangen van individuen, organisaties en groepen.
    Niemand heeft echter een beter inzicht in die drijfveren en (gedeelde) belangen dan de mensen die ze hébben. Waarom zouden professionals dat inzicht moeten hebben?
    Volgens ons moet je het hooguit veronderstellen en de ruimte
    faciliteren zodat die mensen daar zélf iets mee kunnen. Faciliteer
    ontmoetingen. Probeer de processen niet te orkestreren of te
    organiseren laat het leven dat zélf doen. Dus: werk met de chaos en
    dus ook met de kracht van bestaande relaties. Dat is feitelijk altijd
    de functie geweest van de stad: de mix van onderlinge betrokkenheid,
    gedeelde lokale identiteit en toevallige ontmoetingen scheppen de
    kansen in een ogenschijnlijke warboel. Mensen hebben het daar sowieso
    met elkaar te doen. Laat de drijfveren van mensen zélf dus de
    ordenende rol spelen in wie wanneer waarop betrokken is.

    Reacties? Graag!
    Inge Knoope en Hans Moerenhout

  • Michel Debruyne

    De verleidelijke valkuil van de big society.
    De big society lijkt aantrekkelijk. Eindelijk krijgen burgers en middenveld(organisaties) de plaats en de rol en de verantwoordelijkheid om de samenleving vorm te geven. De overheid treedt terug (noodgedwongen uit budgettaire overwegingen) en laat de autonome krachten terug aan bod komen. En dit is ook zo in een aantal gevallen. Verschillende wijken zullen opleven en komen tot mooie initiatieven.
    Maar wat gebeurt in die wijken waar het wijkkapitaal minimaal is? Waar overheden reeds jaren niet of nauwelijks in investeren (loop maar eens rond in Brussel, Parijs, Londen, …)? Waar bewoners geen ruime contacten hebben, geen middelen noch mogelijkheden hebben? Wat gebeurt er daar?
    Big Society verbergt achter dit mooi plaatje een ander verhaal: een verhaal waarbij de overheid niet meer de keuze maakt om te investeren in welzijn, in wijkontwikkeling, in achterstelling. Want zelfs een terugtredende overheid investeert nog steeds, maar dan in andere dingen. De Big Society doet ons geloven dat er de overheid geen keuze voor meer welzijn nog kan maken. De Big Society is maw een mooi plaatje om een rechtsconservatief verhaal te doen slikken.
    De Big Society kan bijgevolg enkel leiden tot meer have’s and havenot’s, tot wijken die bloeien en wijken die nog verder verschrompelen omdat niemand er nog investeert.
    Een terugtredende overheid die nog steeds investeert in welzijn is wel welkom, maar dat is een andere overheid en niet die van de Big Society

    • Een terechte noot Michel! Maar ik hoop dat ik duidelijk heb kunnen maken dat het perspectief niet louter die van big society is, maar ook die van samenwerkende en -investerende organisaties (bedrijven, ondernemers, maatschappelijke instellingen, verenigingen) die ook belang hebben bij een leefbare wijk.

    • Een terechte noot Michel! Maar ik hoop dat ik duidelijk heb kunnen maken dat het perspectief niet louter die van big society is, maar ook die van samenwerkende en -investerende organisaties (bedrijven, ondernemers, maatschappelijke instellingen, verenigingen) die ook belang hebben bij een leefbare wijk.

  • Tijl Dejonckheere

    De ‘wijkgedachte’ is problematisch. Het stamt uit de tijd dat Nederland nog bestond uit ‘buurten’ bevolkt door mensen met een sterke gerichtheid op de wijk, en grote overeenkomsten in sociale klassen en levenspatronen. Een tijd van voor het internet, voordat we mobiel werden. De wijk is niet meer het vanzelfsprekende toneel waarin mensen hun sociale interacties laten plaatsvinden. De netwerken, kennissen en vrienden, de dagelijkse activiteiten spelen zich niet meer primair af in de wijk maar zijn zich over een steeds groter geografisch gebied gaan afspelen. Het zijn met name de kansarme groepen die nog een sterke oriëntatie op de wijk hebben. Veel van de ‘problemen’ waar deze menen tegen aan lopen zoals het vinden van werk, zijn dan ook niet op te lossen in de wijk, maar juist daarbuiten.

    Het ‘vehecial’ het mobilseren van sociaal en economisch buurtkapitaal is nuttig, maar m.i. niet de oplossing voor een aantal vraagstukken waar probleembuurten mee te maken hebben. Een deel van deze buurten zijn ‘doorstroom’ buurten, met bar weinig ‘biinding’ met de wijk. Zodra je ergens anders ‘kunt’ wonen doe je dat. Juist dit ‘vloeiende’ karakter (wezenskenmerk) van deze buurten leent zich slecht voor een primaire focus op buurtverbanden. Het is alsof je tussen twee haltes in, tijdens een metrorit ‘saamhorigheid’ aan het kweken bent met mensen die het volgende ogenblik al weer weg zijn, elkaars taal niet spreken en allen op weg zijn naar een andere afspraak. Dit kost veel tijd, maar levert bar weinig op. De door jouw beschreven aanpak leent zich mi.i. eerder voor gesettelde buurten.

    Het voorkomen van concentraties van kansarmen door marktwerking vraagt om actief overheidsingrijpen. De grote concentratie van sociale problemen in buurten met mensen met het laagste iq (probleem oplossend vermogen). vraagt om oplossingen die niet zomaar uit deze buurten zelf komen. Het is m.i. juist de uitdaging om deze ‘buurten’ beter op de stad aan te sluiten. De netwerken van buiten naar binnen te halen en de bewoners van binnen naar buiten, waar het werk doorgaans te vinden is.

  • Tijl Dejonckheere

    De ‘wijkgedachte’ is problematisch. Het stamt uit de tijd dat Nederland nog bestond uit ‘buurten’ bevolkt door mensen met een sterke gerichtheid op de wijk, en grote overeenkomsten in sociale klassen en levenspatronen. Een tijd van voor het internet, voordat we mobiel werden. De wijk is niet meer het vanzelfsprekende toneel waarin mensen hun sociale interacties laten plaatsvinden. De netwerken, kennissen en vrienden, de dagelijkse activiteiten spelen zich niet meer primair af in de wijk maar zijn zich over een steeds groter geografisch gebied gaan afspelen. Het zijn met name de kansarme groepen die nog een sterke oriëntatie op de wijk hebben. Veel van de ‘problemen’ waar deze menen tegen aan lopen zoals het vinden van werk, zijn dan ook niet op te lossen in de wijk, maar juist daarbuiten.

    Het ‘vehecial’ het mobilseren van sociaal en economisch buurtkapitaal is nuttig, maar m.i. niet de oplossing voor een aantal vraagstukken waar probleembuurten mee te maken hebben. Een deel van deze buurten zijn ‘doorstroom’ buurten, met bar weinig ‘biinding’ met de wijk. Zodra je ergens anders ‘kunt’ wonen doe je dat. Juist dit ‘vloeiende’ karakter (wezenskenmerk) van deze buurten leent zich slecht voor een primaire focus op buurtverbanden. Het is alsof je tussen twee haltes in, tijdens een metrorit ‘saamhorigheid’ aan het kweken bent met mensen die het volgende ogenblik al weer weg zijn, elkaars taal niet spreken en allen op weg zijn naar een andere afspraak. Dit kost veel tijd, maar levert bar weinig op. De door jouw beschreven aanpak leent zich mi.i. eerder voor gesettelde buurten.

    Het voorkomen van concentraties van kansarmen door marktwerking vraagt om actief overheidsingrijpen. De grote concentratie van sociale problemen in buurten met mensen met het laagste iq (probleem oplossend vermogen). vraagt om oplossingen die niet zomaar uit deze buurten zelf komen. Het is m.i. juist de uitdaging om deze ‘buurten’ beter op de stad aan te sluiten. De netwerken van buiten naar binnen te halen en de bewoners van binnen naar buiten, waar het werk doorgaans te vinden is.