Logo Ruimtevolk klein
blogs

4 november 2014 • Willemijn Streutker

Allemaal in beweging voor een gezonde stad

Gedeelde urgentie en gevoeld eigenaarschap is nodig om niet alleen te praten over gezonde inrichting van onze leefomgeving, maar er ook aan te werken.

Hoe houden we onze steden op langere termijn leefbaar? Dat is de vraag die al snel opkomt bij het perspectief van toenemende verstedelijking. Dit perspectief verlangt een nieuwe vorm van verstedelijking: gezonde verstedelijking. Aan aandacht hiervoor geen gebrek, maar wat ontbreekt is regie en bundeling van krachten en disciplines. Een gedeelde urgentie en gevoeld eigenaarschap is nodig om ook echte resultaten te behalen.

Er is geen ontkomen aan: in 2030 woont circa 5 miljard van de mensen in steden. Wordt 50 procent van de welvaart in 600 steden verdiend en wordt 80 procent van de schadelijk uitstoot van broeikasgassen in steden veroorzaakt. Met de toenemende verstedelijking dreigt het gevaar dat open groene ruimtes als sneeuw voor de zon verdwijnen, (drink)water weer een schaars goed wordt en de behoefte aan fossiele brandstoffen – en daarmee gepaard gaande vervuiling – in en om de stad te groot wordt. Gevolg: de mate waarin mensen zowel fysiek als psychisch gezond en gelukkig zijn neemt af, waardoor zorgkosten en kosten voor veiligheid exponentieel toenemen. Om de steden leefbaar te houden is, aldus de publicatie Gezonde Verstedelijking van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, een nieuwe vorm van verstedelijken nodig. Een gezonde versie.

Een woud aan clubjes houdt zich intussen al bezig met gezond verstedelijken, bijvoorbeeld het programma Alles is gezondheid, het kenniscentrum Healthy Urban Living en De gezonde stad. Gelukkig werken ze allemaal ongeveer aan hetzelfde, namelijk het geven van een plek aan het thema ‘gezondheid’ in stedelijke ontwikkeling en planvorming. Met als doel een gezonder Nederland. Maar in de ogen van sommige vakbroeders – en dat onderschrijf ik – wordt er onvoldoende vooruitgang geboekt. Dit komt geenszins omdat het belang van het gezondheidsaspect in stedelijke ontwikkeling niet wordt gezien. Integendeel. De maatschappelijke winst, die te behalen is door een gezond ingerichte stad, staat bij velen echt al goed op het netvlies. Daarvoor is geen maatschappelijke kosten-batenanalyse meer nodig. En ook niet nog eens tig spraakmakende voorbeelden op internet. Maar wat maakt het resultaat ogenschijnlijk zo mager? Waarom schiet het maar niet op? Dat heeft te maken met de enorme versnippering en verkokering én het ontbreken van een strakke regie.

Wandel- en fietswijk Roombeek, Enschede; voorbeeld Ruimte voor Bewegen (foto: NISB)

Wandel- en fietswijk Roombeek, Enschede; voorbeeld Ruimte voor Bewegen (foto: NISB)

Versnippering en verkokering
Door de versnippering en verkokering ontstaat een diffuus beeld van vele clubjes. Een mooi voorbeeld is het Rijk. Op dit schaalniveau, waar toch substantiële bedragen voor onderzoek over dit onderwerp vandaan komen, is het contact tussen de verschillende departementen en directies allerminst een vanzelfsprekendheid. We hebben het dan over de ministeries van Infrastructuur en Milieu en Volksgezondheid, Welzijn en Sport, maar nu dreigt zelfs het ministerie van Binnenlandse Zaken vanuit het leefbaarheidsissue met een eigen initiatief te komen over een gezonde stad.

Het zou enorm helpen wanneer het Rijk ontkokert en ze de kennis over een gezonde c.q. beweegvriendelijke stad vanuit de verschillende disciplines clustert en gezamenlijk verspreidt. Overigens kunnen ook de vele separate initiatiefnemers dit advies van clustering ter harte nemen. Want bijvoorbeeld ook op gemeentelijk niveau werken veel verschillende sectoren vanuit hun eigen eendimensionale perspectief aan ditzelfde thema zonder het van elkaar te weten.

Een goed begin op dit vlak is het Platform Gezond Ontwerp. Een initiatief om beschikbare kennis en ervaring ten aanzien van gezond ontwerpen met elkaar te verbinden en breder beschikbaar te maken.

De juiste dingen doen
Op wetenschappelijk niveau verrichten de TU Eindhoven, de Rijks Universiteit Groningen en Hogeschool Windesheim, om er maar een paar te noemen, uitgebreid onderzoek. Genoeg aandacht voor het thema om jarenlang de congresagenda’s te vullen. Instituten als NISB, RIVM en TNO doen onderzoeksmatig ook een duit in het zakje en hebben in dit kader onder andere Ontwerpprincipes voor een beweegvriendelijke omgeving opgesteld. Daarnaast verzamelen ze kennis over de thematiek. Op hun websites circuleren legio prachtige gemeentelijke voorbeelden van gezondheidsinitiatieven in leegstaand vastgoed, van een beweegvriendelijke omgeving of van gezond transport. Het veld werkt dus hard aan de gezonde stad, maar té separaat en niet geregisseerd. Daarnaast is het de vraag of ze zich wel richten op het juiste punt.

Niet waarom, niet wat, maar hoe
De focus zou namelijk veel meer moeten liggen op de vraag hoe het probleem van een gezonde stad moet worden aangepakt. Hoe agenderen we het thema een Gezonde Beweegvriendelijke Stad? Bij welke discipline moeten we eigenlijk zijn, wie heeft de regie? Voor wie is het een issue? Is het, zoals nu vaak het geval is, een wijkmanager met een restbudget ISV-geld (zoals bijvoorbeeld in de Schiedamse wijk Nieuwland) of een door de wethouder of gemeenteraad verordineerde ambtenaar sport? Of ligt het onderwerp in deze participatiemaatschappij ondertussen op het bordje van de gemeenschap (een goed voorbeeld hiervan is Sportalliantie Rosmalen)? En als er dan een logische regisseur is, hoe slaagt deze ‘believer’ er überhaupt in om dit sectoroverstijgende thema binnen de gemeente én in de wijk op te starten en te onderhouden?

Museumplein, Amsterdam; voorbeeld Sportieve Openbare Ruimte (foto: NISB)

Museumplein, Amsterdam; voorbeeld Sportieve Openbare Ruimte (foto: NISB)

Vergroten resultaat
Persoonlijk zie ik veel kansen in de transitie en transformatie in het sociale domein, waarmee gezondheid onlosmakelijk is verbonden. In het kader van deze transitie wordt onder andere preventie een stuk belangrijker. Dat betekent dus dat aan de voorkant het werken aan gezondheid veel meer aandacht moet gaan krijgen. De leefomgeving speelt daar een belangrijke rol in. Zo is de maatschappelijke sector dus óók probleemeigenaar van dit ruimtelijke vraagstuk.

Eenzaamheid heeft bijvoorbeeld een sterke relatie met achterblijvende sportparticipatie. De projectleiding om te komen tot een beweegvriendelijke ingerichte openbare ruimte kan dus net zo goed – of misschien wel beter – bij de sociale sector liggen in plaats van bij de ruimtelijke sector. Er moet in elk geval tenminste een gevoel van gedeelde urgentie bij de verschillende sectoren komen.

De integrale benadering van het onderwerp vraagt overigens ook om het vergroten van de flexibiliteit in planvorming door het versoepelen van planologische kaders en regelgeving. Zo is bijvoorbeeld de 3%-norm voor vierkante meters speelplek bij woningbouwontwikkelingen niet meer van deze tijd. Al is het alleen maar omdat braakliggende terreinen nabij woongebieden uiterst goed benut kunnen worden voor tijdelijk sport- en beweeggerelateerde functies.

Tenslotte pleit ik ervoor om een psycholoog aan tafel te zetten aan het begin van de ruimtelijke planvorming. Want samen met de inrichting van de ruimte zijn leefstijl, waarden en normen van grote invloed op de mate waarin we gezond leven. Door in het ontwerp mede in te zetten op gedragsverandering realiseren we een aansprekend resultaat op het gebied van gezonde verstedelijking.

Zoals gezegd zie ik legio kansen om meer resultaat te behalen als het gaat om een gezonde leefomgeving, maar dan moet op korte termijn de focus wel worden verlegd. Een gedeelde urgentie en gevoeld eigenaarschap zou daarbij helpen. Daarom opteer ik voor het toevoegen van een nieuw discussieperspectief bij het Jaar van de Ruimte 2015; het perspectief Nederland Gezond Land.

Foto boven: Nieuwland, Schiedam (foto: Dayenne L’Abee, NISB)

Willemijn Streutker

proces-/ projectmanager Ruimtelijke Ontwikkeling

Willemijn Streutker is proces-/ projectmanager Ruimtelijke Ontwikkeling bij Grontmij en verbonden als Adviseur Beweegruimte aan het NISB. Verder werkt ze als adviseur Maatschappelijk Vastgoed bij de gemeente Hilversum. Een sterker Nederland is een gezond Nederland. Vanuit deze overtuiging verbindt ze vele partijen, juist over de grenzen van werkvelden heen.

www.nisb.nl
  • Erik Beeren

    Ik heb 7 jaar in Italië gewoond en het prima naar mijn zin gehad. Voldoende kunnen bewegen en ik voelde me buitengewoon vrij. Gepland zonder al te veel scrupules, maar misschien juist daardoor uitermate goed bestand tegen de tand des tijds.

    Daarna kwam ik in Nederland met al haar dwangmatige woon modellen. De jaren 60, modern en efficiënt, in de jaren 70 moest alles “menselijk” zijn, in de jaren 80 verrezen thematische wijken (oh wat leuk!), de jaren 90 met “duurzaam” en Vinex en nu dan de “gezonde” stad. Gelukkig bestaat er ook nog een vooroorlogse woningvoorraad, opgezet met iets minder dogmatisch overheidsvertoon.
    Gelukkig, want anders zou ik überhaupt niet meer in Nederland willen wonen.

    Stop alsjeblieft met al die verstikkende clubjes! Een bewoner is geen patiënt!
    Zorg er liever voor dat kavels minder duur worden, zodat burgers niet meer krom hoeven te liggen voor hun hypotheek. Je hebt geen psychologen nodig voor het opzetten van een wijk. Je hebt pas psychologen nodig, als mensen hun eigen leefomgeving niet meer naar de hand kunnen zetten, omdat deze is over gereguleerd en over gedefinieerd.