Logo Ruimtevolk klein
artikelen

4 juni 2015 • RUIMTEVOLK

Mixofobie en de stad

Een pleidooi voor publieke ruimten waar het vreemde gevierd wordt in plaats van gevreesd.

Filosofe Naomi Jacobs beschrijft hoe het onbekende dat in de stad alom aanwezig is, zowel een bedreiging als een belofte in zich draagt. Zij roept op na te denken hoe de openbare ruimte en andere mogelijkheden in de stad zo kunnen worden ingericht dat vooral de belofte wordt benadrukt en minder de bedreiging.

Mijn hele leven woon ik al in Amsterdam. En hoewel Amsterdam nou niet bepaald een metropool is en ik geregeld vrienden en bekenden tegenkom, bevind ik mij het overgrote deel van de tijd dat ik me door de stad beweeg onder vreemden. Of ik nu naar het station fiets, naar de supermarkt loop of in het park zit; ik ben omringd door vreemden. Voortdurend beweeg ik me langs mensen die ik niet ken. Ik weet niet hoe ze heten, waar ze vandaan komen, wat ze doen, of waar ze van houden. Het enige dat ik weet is dat ze zich samen met mij in de stad begeven. Sommigen wonen er net als ik permanent, anderen zijn op bezoek als toerist of dagjesmens. Dat maakt niet uit, want als we elkaar al ontmoeten dan is het meestal zo vluchtig dat onze ontmoeting uit niet meer bestaat dan een achteloze blik.

In de loop van de geschiedenis zijn steden drastisch veranderd. De meeste gebouwen, de ruimtelijke inrichting en de manier van leven in een stad als Amsterdam zijn niet meer hetzelfde als een paar eeuwen geleden. Toch is een ding gelijk gebleven. Dat is dat we ons in de stad altijd tussen vreemdelingen begeven. Volgens socioloog en filosoof Zygmunt Bauman (1925) is het de modus vivendi van stadsbewoners: we ontkomen niet aan de ongevraagde, doch opgedrongen nabijheid van vreemden in de stad.

Die continue nabijheid van vreemdelingen is dubbelzinnig. Een vreemdeling is namelijk per definitie onbekend en het onbekende boezemt angst in én trekt aan. Het boezemt angst in omdat je niet weet wat je van het onbekende kunt verwachten: het onbekende is onvoorspelbaar en zou bedreigend kunnen zijn. Volgens de filosoof Søren Kierkegaard (1813-1855) richt angst zich altijd op het niets. Daarmee bedoelt Kierkegaard niet dat angst niet betrokken is op iets, maar dat angst betrokken is op datgene dat nog onbekend en oningevuld is. Angst heb je volgens Kierkegaard voor het lege en onbepaalde, voor het oningevulde. En is de vreemdeling in de stad niet bij uitstek onbepaald en oningevuld? Meer dan de uiterlijke verschijning zie ik immers niet van de vreemdeling die ik op straat voorbij loop.

Maar die onbekendheid van de vreemdeling is tegelijkertijd ook aantrekkelijk. Juist omdat de vreemdeling mij onbekend is, biedt ze allerlei mogelijkheden. Wellicht wordt deze onbekende passant wel een nieuwe vriend, of die vreemdeling in het café een nieuwe geliefde. Het onbekende waar de angst zich op richt staat eveneens voor de vrijheid van open mogelijkheden. Angst en vrijheid zijn de keerzijde van dezelfde medaille.

Mixofobie

Bauman bedacht twee termen die verwijzen naar die keerzijden van het onbekende. Aan de ene kant mixofilie, dat staat voor de aantrekkingskracht die uitgaat van de vreemdeling, en aan de andere kant mixofobie, dat staat voor de angst die de vreemdeling oproept.

In zijn werk Vloeibare Tijden schrijft Bauman dat mixofobie een zeer voorspelbare en wijdverbreide reactie is op de duizelingwekkende verscheidenheid van menselijke types en levensstijlen die elkaar van dichtbij ontmoeten in de straten van moderne steden. De verscheidenheid aan mensen is zo groot, dat ze gemakkelijk zenuwslopend en beangstigend wordt.

Om de wortels van mixofobie te begrijpen verwijst Bauman naar het werk van de socioloog Richard Sennett (1943) die schrijft dat het “wij-gevoel” waar veel mensen naar streven enerzijds het verlangen uitdrukt om er bij te horen en op elkaar te lijken en anderzijds een manier is waarop mensen de noodzaak vermijden zich in anderen, ofwel vreemden, te verdiepen. Veel mensen vermijden dat liever, omdat ze niet zitten te wachten op de uitdagingen en onzekerheden die het leren kennen van onbekenden met zich mee brengen. Want misschien word je wel teleurgesteld, gekwetst of bedrogen. De noodzaak je in anderen te verdiepen wordt daarom vaak liever uit de weg gegaan en de vreemdeling blijft op die manier vreemd. Maar, zo ontdekte Sennett, hoe meer segregatie er is en hoe uniformer de omgeving, hoe minder mensen in staat zijn om de realiteit van menselijke verschillen onder ogen te zien en het hoofd te bieden. Een vicieuze cirkel dus.

Tevergeefs risico willen vermijden

De samenhang tussen mensen in de stad is vaak vrijwillig, tijdelijk, vluchtig en makkelijk te verbreken. Verbanden tussen mensen zijn volgens Bauman ‘vloeibaar’ geworden, omdat traditionele structuren en verbanden niet meer vast liggen. We leven sinds enkele decennia in ‘vloeibare tijden’ zo stelt hij, en deze vloeibaarheid brengt in razendsnel tempo veranderingen met zich mee. We wisselen gemakkelijker van baan, relatie en omgeving, en technologische ontwikkelingen presenteren ons voortdurend nieuwe perspectieven die we daarvoor niet voor mogelijk hielden.

Omdat het tempo en de richting van veranderingen steeds moeilijker te voorspellen of te beheersen wordt, is het verleidelijk ons te richten op dingen die we (ogenschijnlijk) nog wél kunnen beïnvloeden. Zo richtten we ons bijvoorbeeld op de gevaren van roken (sinds de risico’s van meeroken bekend zijn, is roken in iedere openbare ruimte verboden), wenden we ons met fanatieke focus op het vermelden van het aantal calorieën in ons eten dat nu zelfs op menukaarten in restaurants te lezen staat, verschijnen er in de stad continu nieuwe smoothie & juice bars en is op bijna iedere straathoek wel een sport- of yogaschool te vinden om ervoor te zorgen dat we fit en gezond blijven. Met andere woorden, we zoeken plaatsvervangende doelstellingen om ons teveel aan angst en onzekerheid voor de toekomst mee te bedwingen.

Maar met ieder extra slot op de voordeur of iedere nieuwe superfood hype gaat de wereld er nog onzekerder uitzien omdat we, welke maatregelen we ook nemen, nooit volledige controle hebben over de loop van de toekomst. Door krampachtig bezig te zijn met zekerheid, veiligheid en controle vergroten we de zelfversterkende werking van angst alleen maar verder. En zo is het ook met de angst voor de vreemdeling. Hoe langer de vreemdelingen van de stad vreemd blijven, hoe sterker de angst wordt.

Mixofilie

Zoals de stad mixofobie zaait en voedt, kweekt ze gelukkig ook mixofilie, merkt Bauman op. Het stadsleven is immers intrinsiek en onverbeterlijk een ambivalente zaak. Zo wijst Bauman ons erop dat de verwarrende verscheidenheid van de stedelijke omgeving enerzijds een bron van angst vormt maar tegelijkertijd zorgt voor een “caleidoscopisch flonkeren en schitteren” van de stad waar het nooit ontbreekt aan verrassingen en nieuwe mogelijkheden.

De diversiteit en hoge concentratie van vreemdelingen in de stad schrikt af maar werkt tevens als een sterke magneet die steeds opnieuw mensen aantrekt die op zoek zijn naar nieuwe mogelijkheden en vooruitzichten, die zich in landelijke of kleinsteedse gebieden minder makkelijk voordoen. Mixofilie staat voor de aantrekkingskracht, het plezier en de opwinding die uitgaat van het vreemde. Het ontmoeten van nog onbekende mensen kan ontzettend leuk en spannend zijn. Daarom ook gaan zoveel mensen naar cafés, clubs of andere publieke ruimten; in de hoop nieuwe, tot dat moment nog vreemde mensen te ontmoeten, interessante ervaringen op te doen en misschien wel iets nieuws mee te maken.

Echte vreemden?

Je kunt je afvragen hoe “vreemd” die vreemdeling in het café of de club werkelijk is. Zijn degenen die we daar ontmoeten niet eigenlijk mensen die maar al te makkelijk bij onze eigen groep passen? Gaan we niet meestal naar plekken waarvan we weten dat er mensen komen zoals wij? Zij mogen dan misschien vreemden zijn, maar hoe vreemd, onbekend en anders zijn ze werkelijk?

Wanneer ik nieuwe mensen leer kennen, is dat bijna altijd via via. Ik ontmoet iemand op straat, in een café of tijdens een etentje met vrienden. Negen van de tien keer komt de ontmoeting tot stand vanwege een gemeenschappelijke vriend, kennis of collega. Het contact is gemakkelijk gelegd, je kunt de ander redelijk eenvoudig in een bepaalde context plaatsen en je gaat ervan uit dat het contact vriendelijk zal zijn, aangezien diegene ook bekend is met degene die jij kent en ons aan elkaar voorstelde.

Zo’n ontmoeting kan leuk zijn of interessant, en voelt vaak wel een beetje ‘nieuw’. Maar hoe nieuw is zo’n ontmoeting nu echt? Laat staan vreemd of onvoorspelbaar? Zijn zulke ontmoetingen nu momenten waarop we ons werkelijk in een vreemde verdiepen? Of zijn zulke ontmoetingen eerder uitbreidingen van het “wij-gevoel” waar Sennett over spreekt? In andere woorden, kunnen we de meeste van onze ontmoetingen niet eerder zien als het vergroten van onze “wij-kring” dan als ontmoetingen met mensen die ons echt vreemd zijn en met wie de ontmoeting wellicht uitdagingen en onzekerheden meebrengt, zoals ontmoetingen met werkelijk vreemden volgens Sennett kunnen doen.

Daar waar gedeelde ervaringen ontstaan

Begrijp me niet verkeerd, ik heb niets tegen het vergroten van de “wij-kring”. Maar ik zou tegelijkertijd willen pleiten voor meer mogelijkheden in de stad voor werkelijk nieuwe ontmoetingen met vreemden. Dat is belangrijk omdat sociale homogeniteit en ruimtelijke segregatie in een stad verdraagzaamheid verminderen en de kans op mixofobisch gedrag vergroten. Als gevolg lijkt het leven in de stad risicovoller en beangstigender, zo benadrukken Bauman en Sennett.

Het leven in de stad moet niet beangstigender lijken dan ze werkelijk is, dus een teveel aan mixofobie kunnen we beter vermijden. In plaats daarvan zou de stad juist moeten proberen nieuwsgierigheid aan te wakkeren, verdraagzaamheid te vergroten en wederzijds begrip tussen stedelingen bevorderen. Volgens filosoof Hans-Georg Gadamer (1900-2002) kan wederzijds begrip tussen mensen ontstaan door een versmelting van horizonten.

Horizonversmelting vindt plaats wanneer in een ontmoeting de tijds- en plaatsgebondenheid van iemand samenvalt met de eveneens tijds- en plaatsgebonden horizon van een ander en beiden hun oorspronkelijke perspectieven (deels) opschorten voor een gedeeld perspectief. Zo’n ontmoeting kan bestaan uit een gesprek, maar hoeft dat niet per se te zijn en hoeft bovendien niet lang te duren; zolang er maar een gedeelde ervaring is. Een gedeelde ervaring waarbij een horizonversmelting plaatsvindt, is echter ondenkbaar zonder een gedeelde ruimte, benadrukt Bauman. Wanneer een stad ruimte biedt aan openbare, aantrekkelijke en gastvrije ruimten die alle soorten stadsbewoners ertoe uitnodigen om ze te bezoeken en ze bewust en graag met elkaar te delen, dan kunnen er in de stad zulke gedeelde ervaringen ontstaan die leiden tot horizonversmelting tussen vreemden.

Het Bankjescollectief

Een initiatief dat dit naar mijn idee goed doet is Het Bankjescollectief van Jesse Jorg en Cathelijn de Reede. Vorig jaar begonnen zij met het ‘openstellen’ van bankjes op de stoep waar mensen naar eigen keuze iets doen, variërend van koffie en cupcakes serveren, salsa les geven of samen breien. Naar eigen zeggen initieert het Bankjescollectief het grootste openluchtcafé ter wereld en moedigt het stadsbewoners aan hun straat te zien als een gedeelde woonkamer waar mensen elkaar kunnen ontmoeten.

Het Bankjescollectief is een platform waar iedereen zich bij kan aansluiten. Dat deed bijvoorbeeld Anna Dekker met vriendin en collega Katusha Sol. Vanuit hun bedrijf Placemakers, dat projecten organiseert die ondernemers en buurtbewoners bij hun eigen buurt betrekt, en de stichting Thuismakers Collectief bedachten ze de bankjes ‘Bloody Tourist’ en ‘Motje ’n Shotje?!’. Met de bankjes beogen ze om stadsbewoners met toeristen in contact te brengen, in plaats van ze geërgerd van hun sokken te fietsen. Dit doen ze door bij het bankje toeristen en stedelingen samen te laten proosten op een zelfgekozen opdracht zoals op het samen maken van een selfie, op het geven van een oprecht compliment aan de ander, of op het winnen van een staarwedstrijd: wie kan de ander het langst in de ogen staren zonder te knipperen?

Hoewel toeristen doorgaans niet beschouwd worden als het type vreemdeling dat grote problemen veroorzaakt – zoals asielzoekers of mensen met een bepaalde religieuze geloofsovertuiging wel vaak worden gestigmatiseerd -, worden toeristen volgens Dekker toch steeds vaker gezien als ongewenste vreemdelingen die een stad overspoelen en waardoor bewoners zich minder thuis voelen in hun eigen stad. Amsterdammers klagen geregeld dat toeristen hun stad kapot maken: ze fietsen slecht, zorgen voor ellenlange rijen of zitten lallend op een bierfiets. Zodoende worden toeristen met steeds meer irritatie ontvangen, in een hokje geplaatst en van een stereotype voorzien; wanneer je iets wat vreemd is labelt, kan je het immers makkelijker wegzetten.

Maar dit staat ontmoetingen in de weg en doet de toerist tekort. Daarom wil Dekker de stedeling en de toerist met elkaar in contact brengen, zodat ergernissen afnemen, de toerist van zijn stereotypering wordt ontdaan en wederkerige uitwisseling wordt aangewakkerd. De bankjes zorgen voor een gedeelde ruimte en de bijbehorende opdrachten voor een gedeelde ervaring waardoor stadsbewoners en toeristen elkaar leren kennen. Dekker vertelt dat er na de opdrachten vaak leuke gesprekjes ontstaan tussen mensen die elkaar kort daarvoor nog geen blik waardig gunden. Je zou het kunnen zien als een kortstondige horizonversmelting tussen vreemden.

Kamperend de buren leren kennen

De bankjes van Dekker en Sol richten zich specifiek op ontmoetingen tussen stadsbewoners en toeristen maar er zijn tal van andere bankjes aangesloten bij het collectief die juist ontmoetingen tussen buurtbewoners beogen. Zo staan er bijvoorbeeld bankjes in de multiculturele Indische buurt van Amsterdam, waar buurtbewoners van verschillende culturele en religieuze achtergrond elkaar treffen. Dit leidt tot ontmoetingen die weer nieuwe verrassingen én uitdagingen met zich meebrengen dan de ontmoetingen tussen toerist en stedeling.

Het Bankjescollectief is natuurlijk maar een kleinschalig initiatief, maar volgens Dekker maken juist een heleboel van zulke kleine initiatieven samen één grote verandering in de vormgeving en het beleid van de stad. Ook het initiatief van de Buurtcamping hoort hier naar mijn idee bij: stadsparken in Utrecht en Amsterdam worden in de zomer een weekend lang omgetoverd tot buurtcamping. Door samen de camping op te bouwen en activiteiten te organiseren maken buurtbewoners tijdens de minivakantie met elkaar kennis. Het achterliggende idee: je leert je buren beter kennen wanneer je drie dagen naast elkaar kampeert dan wanneer je drie jaar naast elkaar woont.

Vooral een belofte?

Of die onbekende vreemdeling nu de buurman van drie straten verderop is, een Spaanse toerist of een dagjesmens uit de Achterhoek: onbekend is onbekend. En de meeste ontmoetingen met vreemden in de stad bestaan uit niet meer dan een vluchtige, achteloze blik. Het is de modus vivendi van de stadsbewoner: we ontsnappen niet aan de ongevraagde en opgedrongen nabijheid van vreemden in de stad.

Maar zoals Bauman en Kierkegaard al benadrukten: de nabijheid van vreemdelingen is dubbelzinnig. Vreemdelingen zijn per definitie onbekend en dat trekt aan én schrikt af. Het onbekende draagt een bedreiging én een belofte in zich. Zou het niet mooi zijn als de stad met haar openbare ruimten en mogelijkheden tot gedeelde ervaringen, vooral de eventualiteit van de belofte benadrukt?

Foto boven: “Bloody Tourists bankje Bankjescollectief” (Door: Coco Plooijer)

Dit is een essay in de reeks ‘Filosofen agenderen de stad’ in kader van de Agenda Stad.

Vragen van de auteur naar aanleiding van essay aan het RUIMTEVOLK netwerk

Drie vragen naar aanleiding van het artikel:

  1. Hoe zou een goed evenwicht tussen mixofilie en mixofobie in de stad eruit zien? En hoe kunnen we dat bereiken?
  2. Kleinschalige initiatieven zoals het Bankjescollectief en de Buurtcamping zorgen voor gedeelde ervaringen tussen vreemden in de stad. Waaruit zouden andere initiatieven kunnen bestaan?
  3. Geen gedeelde ervaring zonder gedeelde ruimte, stelt Bauman. Hoe belangrijk zijn openbare ruimten voor een stad?

 

Eén reactie op “Mixofobie en de stad”

  1. Johan schreef:

    Helaas wordt een deel van de openbare ruimte vaak ingenomen en verziekt door figuren die met de drugshandel te maken hebben en die zich zo gedragen dat andere mensen daar wel wijselijk wegblijven. Dan hebben ze de openbare ruimte a.h.w. ‘bezet’. Dat is vaak ook een strategische bezetting van bepaalde punten waar veel potentiële klanten(verslaafden) komen, tegenover concurrerende drugshandelgroepen. Want op de achtergrond staan vaak grote drughandelclans en mafia-achige organisaties, zoals Marokkaanse of Antiliaanse drugsclans, die voor de aanvoer zorgen en op de achtergrond de touwtjes in handen hebben.
    Maar bankjes in de binnenstad zijn ook vaak de plek voor alcoholisten, zwervers en gestoorde figuren e.d., mensen die aan de rand van de samenleving verkeren.
    De grote stad en met name de binnensteden zijn door het anonieme karakter vaak plekken waar deze mensen vaak zijn aan te treffen. Het komt soms ook omdat de overnachtingsplekken van het Leger des Heils of Humanitas daar ook in de buurt zijn.
    Ik vind die ontmoetings-initiatieven die je noemt wel heel sympathiek, maar ook wel tamelijk idealistisch.
    We hebben hier in de flat ook eens per jaar een barbecue in de binnentuin. Maar ik ben nog nooit geweest. Ik vergat het meestal, maar was ook bang die lui met die pitbull of andere minder sympathiek figuren, die ik soms in de lift tegenkom, daar ook tegen te komen. Misschien jammer want er zijn ook bijzonder sympathieke mensen in mijn flat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *