Logo Ruimtevolk klein
artikelen

3 juni 2016 • RUIMTEVOLK

Tijd van Experimenten

Het experiment krijgt een steeds belangrijkere plek in het debat over de ruimtelijke ordening. Maar hoe voorkom je dat de experimenteerstatus een dekmantel wordt voor een gebrek aan innovatief vermogen?

Scheidend burgemeester van Eindhoven Rob van Gijzel benadrukte het afgelopen woensdag nog maar eens in de Volkskrant: steden lenen zich uitstekend voor experimenten. De stad is een broedplaats voor innovatie, en de nationale overheid zou ruimte in de wet moeten laten om vernieuwing uit te proberen. Waarom niet eens experimenteren met taxi-app Uber in plaats van gelijk verbieden, vraagt Van Gijzel zich af.

Het experiment krijgt een steeds belangrijkere plek in het debat over de ruimtelijke ordening. Misschien leven we wel in een tijd van ‘permanent beta’, zoals Jurgen Hoogendoorn eerder schreef op RUIMTEVOLK, ‘waarbij lokaal geformuleerde prototypen (een werkend begin van een antwoord op een vraag die nooit af is) werkzaam zijn voor zolang als het duurt en daarmee per definitie tijdelijk’.

Ook vanuit de wetenschap is er toenemende interesse voor stedelijke experimenten. Op 20 mei sprak Professor Rob Raven aan de Universiteit Utrecht zijn oratie ‘Transities in de Experimentele Stad’ uit, waarin hij precies op deze vragen ingaat. De wereld wacht de komende decennia een enorme verstedelijkingsopgave, aldus Raven. De hierbij horende duurzaamheidsopgaven vragen om vernieuwing en experimenten. Raven wil deze stedelijke experimenten de komende jaren verder gaan onderzoeken.

Hij maakt hierbij gebruik van ideeën uit het vakgebied van de transitiestudies. Centraal idee in dit vakgebied is dat er een systeemverandering noodzakelijk is, en de vernieuwing die hiervoor noodzakelijk is vooral gevonden kan woorden in nieuwe experimenten (‘niches’). Tot nu toe richtte de transitiestudies zich vooral op sectoren en technologieën, terwijl Raven met zijn nieuwe leerstoel de stad onder de loep gaat nemen.

In de afgelopen vier NEXT Steps bijeenkomsten, die wij organiseren in samenwerking met de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (IABR), zagen we diverse experimenten voorbijkomen. Circulaire gebiedsontwikkeling in Buiksloterham, spontane planologie in Oosterwold en diverse nieuwe ideeën voor de omgang met gezondheid in Utrecht. Gasten en deelnemers hielden regelmatig een pleidooi voor meer experimenteerruimte. Maar dit roept natuurlijk ook vragen op.

Want ligt het gevaar niet op de loer dat experimenteerruimte een excuus is voor partijen om écht te innoveren? En hoe leerzaam zijn pilots eigenlijk als ze grotendeels geïsoleerd zijn van de complexe realiteit? Zijn experimenten echt anders, of is er sprake van labwashing, en hebben we hier te maken met oude wijn in nieuwe zakken? Wordt het leerproces rondom de experimenten eigenlijk wel goed georganiseerd? En zijn partijen bereid ook daadwerkelijk lessen te leren en conclusies te trekken?

Op de IABR zijn er de komende weken diverse interessante bijeenkomsten die aan deze problematiek raken. Op 10 juni spreekt de Britse professor Harriet Bulkeley over The Power of Experiments. In onze NEXT Steps #5 op 14 juni gaan we in onder meer gesprek met de Belgische theatermaker Lucas de Man over de experimentele praktijken die hij vond in Europa om tot een inclusieve stad te komen. En tot slot gaan we in de allerlaatste Next Steps (datum nog niet bekend) in op de rol van experimenten in het stad maken van de toekomst.


Foto boven: Living Lab Fabcity op het Java-Eiland in Amsterdam, foto: EU 2016 NL via Flickr, CC BY-SA 2.0)

RUIMTEVOLK

Team RUIMTEVOLK

Team RUIMTEVOLK

www.ruimtevolk.nl
  • Christian Curré

    Een zeer terechte vraag/zorg lijkt me. Als meedenker/Landmaker heb ik deze benadering in iets andere bewoordingen ook al een keer geagendeerd.
    Natuurlijk is experiment nodig voor innovatie, je moet durven en lef tonen om iets aan bestaande problemen te doen of ontstane knelpunten aan te pakken. Proeftuinen en Living Labs, ze hebben hun bestaansrecht echt wel bewezen.
    Echter, ik werkte aan het begin van deze eeuw bij Habiforum (ook al) aan het programma Vernieuwend Ruimtegebruik. Via Communities of Practice probeerden we de betrokken actoren te verleiden om boven hun normale praktijken van handelen uit te stijgen zodat ze in de mindset voor vrije innovatie konden komen.
    Persoonlijk denk en merk ik dat het daar eigenlijk nog steeds knelt: in hoeverre zijn de betrokkenen daadwerkelijk in staat/bereid mee te gaan in een vrije rol. Het simpele feit is dat niet alleen de ‘instituties en instituten’ an sich log en bureaucratisch kunnen zijn en op die manier vanuit zichzelf vaak een conservatieve en remmende rol vervullen, maar ook dat heel veel professionals zelf nog altijd het hemd nader voelen dan de rok. Experimenteerruimte in den brede kan niet los gezien worden van belang/positie/agenda van de personen in kwestie.
    Simpeler gezegd: meestal is men wel bereid om naar een brainstorm te komen, mee te discussiëren en te netwerken, maar het doorpakken op het verslag en de actiepunten; dat blijkt het probleem. Niet alleen heeft iedereen het drukdrukdruk, maar niemand wil zijn manager, opdrachtgever of netwerk ‘beledigen’ door te stellen dat het simpelweg volledig anders moet om de besproken doelen te halen. De belangen van de staande structuur zijn wellicht te groot om echt flexibel te kunnen zijn – dat is de beknelling waarin we onszelf terugvinden. Ga jij maar eens aan je kinderen uitleggen dat je een geweldige vrijdenker bent maar dat een vakantie en een dure schoolreis er niet inzitten omdat je de wacht is aangezegd juist omdat je zo geweldig buiten de lijntjes durft te kleuren. Het zou iets zijn voor Loesje: innovatie houdt daar op waar de hypotheek begint. Hebben er inmiddels niet gewoon te veel partijen een belang bij de huidige situatie..?
    Een tweede punt is inderdaad de vraag: wanneer heb je genoeg geëxperimenteerd om over te kunnen gaan naar veranderende praktijken van handelen? Na hoeveel geeltjessessies, werkplaatsen, benen-op-tafelsessies, smederijen, haardvuursessies, innovatieontbijten en na hoeveel proeftuinen, vrijdenkruimtes, experimenteerzones en living labs durven we nu een keer echt op samenhangende wijze een aanpak te formuleren die we gaan uitwerken als leidraad voor al die programma’s en projecten samen? Zó groot is ons land nu ook weer niet, zo héél verschillend zijn de opgaven nu ook weer niet en zo wereldschokkend zijn de uitkomsten van al die experimenten nu ook weer niet geweest. We hebben de ontwikkelingsplanologie, de duurzaamheidstools, de vitale mindset, de benchmark en de scenario’s met uitgewerkte toekomstbeelden: laten we van al die postzegels nu eens een keer een velletje gaan maken!
    Dus zonder dat we steeds de korte (politieke) bestuurs- en beleidscyclus volgen en steeds opnieuw ‘heel gezellig’ het wiel blijven uitvinden. Wat is er toch mis met ons gezamenlijk ontwikkelingsgeheugen?? Of is het een taboe op zich om dit te vragen, doet mijn reactie nu bij iedereen via de spoiler-app de smartphone trillen..?

    • Frans Soeterbroek

      Dag Christian,
      Ik deel je zorg. Misschien vind je deel van het antwoord hier. Niet te veel vertrouwen op die vrije ruimte om te experimenteren maar meer de schuring opzoeken. http://deruimtemaker.nl/2016/05/13/gevaarlijke-plekken-maken-voor-de-next-economy/#more-899

      • Christian Curré

        Hallo Frans, Dank en zeker vond ik daar stepping stones richting een ‘geschakelde vrijdenkersbenadering’… Heb jij mijn aanvullingen bij ‘De roep om een regisserende overheid’ en ‘Participeren met oog voor democratische principes’ op deze website al kunnen lezen? Hoe het eenvoudig en toch spannend te houden, that’s the question… 🙂 Grote groet!