Logo Ruimtevolk klein
artikelen

13 september 2016 • RUIMTEVOLK

Wie bepaalt waar spontane gebiedsontwikkeling mag?

Het einde van organisch ontwikkelingen? Met deze vraag gingen kopstukken uit het vakgebied onlangs met elkaar in discussie in Pakhuis de Zwijger. Stan Majoor was erbij en wenst de betrokkenen vooral wat meer zelfreflectie toe.

Organische gebiedsontwikkeling: was dit nu een lichtelijk gehypet ‘pauzenummer’ toen gemeenten, marktpartijen en corporaties het in de crisis even niet meer wisten, of is het (een begin van) een veel bredere omslag naar een andere relatie tussen energieke bewoners en hun stad? Deze vraag stond centraal tijdens de bijeenkomst in Pakhuis de Zwijger (hier terug te zien) voor (vooral) blanke mannen met een mening en – laten we eerlijk zijn – vaak ook een belang in het antwoord op deze vraag.

Gert Urhahn legde nog eens uit hoe het allemaal was begonnen in 2009 met het denken over organische gebiedsontwikkeling. Daarna ontspon zich een redelijk voorspelbaar maar zeker amusant debat tussen inleiders die vonden dat overheden nu wel genoeg  ‘gefaciliteerd’ hadden – vooral als dit een eufemisme voor afwachten betekende – en sprekers die vurig hoopten dat het vakgebied blijvend veranderd is door alle nieuwe ‘organische’ stadsmakers en hun initiatieven (waarvoor Pakhuis de Zwijger een veilig clubhuis is geworden). Twee observaties van deze blanke man over de avond en het thema:

Ide·o·lo·gie

Op een gegeven moment werden de verdedigers van meer organische gebiedsontwikkeling door de aanwezige praktijkhoogleraar Friso de Zeeuw aangevallen als een stel naïeve en lichtelijk wereldvreemde ideologen. Nu de crisis voorbij is ‘dendert de trein gewoon door’, dus: ‘veel succes met je ideologie!’. Hier werd een beeld neergezet van een groep mensen die financiële en politieke realiteit niet begrijpen.

Je opponent neerzetten als ‘ideologisch’ en jezelf als rationeel denkende pragmatist lijkt slim, maar ik vind het eigenlijk een beetje eng. Stadsontwikkeling is per definitie namelijk (ook) ideologie. Of dit nu een stadsmakers-ideologie is, die van een meer klassieke ideologie van professioneel gestuurde gebiedsontwikkeling, of allerlei mengsmaken daartussen. Het gevaarlijkste zijn de ideologen onder ons die hun zinnen beginnen met “Laten we nu wel wezen…”, of “Ieder weldenkend mens zal toch zien dat….”. Deze vakgenoten zou ik eerst wat zelfonderzoek gunnen naar het geheel van ideeën dat ten grondslag ligt aan hun wijsgerig stelsel. En daar dan een mooi open debat over voeren.

Voorbij het pragmatisme

De discussie mondde uit in de redelijke consensus dat de opgaven in de praktijk gevarieerd zijn, dat marktomstandigheden en demografie sterk lokaal verschillen en dat er dan dus ook per keer, per plek, per omstandigheid moet worden gekeken welke vorm van gebiedsontwikkeling het beste past. Zo zouden meer planmatige en meer organische gebiedsontwikkeling – die ook vormen van planning nodig hebben – prima naast en soms ook met elkaar kunnen bestaan.

Okay, logisch en slim. Maar wel met één premisse: het is een beetje te simpel om te stellen dat de opgave en daarmee de ontwikkelstrategie moet voortkomen uit ‘wat de plek nodig heeft’. Want wie bepaalt dan wat dat is? Zijn dat de huidige gebruikers en bewoners of de toekomstige? Hoe zit het met meer strategisch, bovenwijkse en Nimby-functies?

Gekoppeld aan het vorige punt: het lezen van een plek heeft ook te maken met ideologie: moet het Amsterdamse Marineterrein nu planmatig volgebouwd worden omdat het in het middelpunt zit van een ‘hogedrukgebied’ met woningschaarste? Of is het juist een gebied met historische kwaliteiten en een unieke ligging in de stad die vraagt om een heel ander programma? En wie moet daar dan over beslissen? En wat beslissen we nu en wat laten we dan aan volgende generaties? Het lezen van de plek is noodzakelijk, maar moet altijd samengaan met een breder proces van wilsvorming en prioritering op het niveau van de stad en regio. Ruimtelijke ordening noemden we dat vroeger.


Foto boven:de Houthavens in Amsterdam (Foto:Guilhem Vellut/Flickr/CC BY 2.0)

6 reacties op “Wie bepaalt waar spontane gebiedsontwikkeling mag?”

  1. Gerben Helleman schreef:

    Dank voor deze samenvatting en terechte constatering dat het steeds een afweging is van verschillende belangen op verschillende schaalniveaus voor zowel de korte als lange termijn.
    Welke antwoorden zou je zelf geven op de vragen die je stelt? Dus wie bepaalt volgens jou de ontwikkelstrategie van een plek? “Zijn dat de huidige gebruikers en bewoners of de toekomstige? Hoe zit het met meer strategisch, bovenwijkse en Nimby-functies?” Is daar ook niet het antwoord op dat dit per plek/omstandigheid verschillend is?

    • Stan Majoor schreef:

      Dag Gerben, m.i. is daar inderdaad geen universeel model voor, eerder een procesafspraak: organiseer een proces waarin locaties altijd als onderdeel van een grotere ruimtelijke eenheid (stad/regio) gezien worden en daardoor ook onderdeel worden van een wat complexer afwegingsproces. Neem wat afstand van het hier-en-nu en incorporeer ook toekomstige belangen. Tegelijkertijd leert het meer ‘organisch’ ontwikkelen mij ook dat de energie van initiatieven op plekken serieus moet worden genomen en dat de NL ruimtelijke ordening zich meer moet ontwikkelen in een wisselwerking tussen bottom up en top down, iets wat we in de loop van de 20e eeuw een beetje kwijt zijn geraakt.

      Groeten, Stan

  2. Frans Soeterbroek schreef:

    als blanke man met een mening ben ik het erg eens met deze mening/analyse. Hier wat andere geluiden n.a.v. mijn bijdrage op die bijeenkomst: http://deruimtemaker.nl/2016/09/08/911/

  3. MartinvanderMaas schreef:

    Heel mooi dat stadsontwikkeling hier primair als waardendiscipline wordt neergezet. Ook in vele andere beleidsterreinen wordt ideologie ten onrechte onder het tapijt geschoven door veel mainstream-professionals die ons wijs proberen te maken dat er geen alternatieven zijn voor hun zelfbenoemde rationele wereldbeeld.

    En toch behoort stadsontwikkeling ook een rationele component te bevatten. De geschiedenis bewijst immers wel degelijk dat het ene beter werkt (of populairder is) dan het andere, en daar kunnen we rationele conclusies uit trekken. Zelf denk ik dat het fysieke stedelijke frame grotendeels van bovenaf moet worden bepaald, en dat binnen dat frame organische ontwikkeling voorop moet staan. Ongeveer zoals Haussmann in Parijs: hij bepaalde een frame met brede mogelijkheden, en wat er in de straatplinten verscheen, werd veel meer overgelaten aan de grillen van gebruikers en tijd. Ik vind dit voorbeeld relevant, omdat er al lange tijd een redelijke consensus bestaat over de grote schoonheid en functionaliteit van Parijs. En soortgelijke omgevingen.

    Maar ik geef toe: het blijft verdraaid ingewikkeld. Herman Hertzberger sprak op het Ruimtevolk-college van 17 mei de wijze woorden: “Er zijn zoveel stedelijke mislukkingen, omdat de opgave simpelweg te moeilijk is.”

    • Frans Soeterbroek schreef:

      Dag martin,
      ik heb heeeeeeeeeeeeeel weinig vertrouwen in hoe dat soort frames tot stand komen en hoe ze uitpakken. Worden altijd weer als legitimering gebruikt voor zielloze topdown planning. Waarom kun je die frames ook niet gewoon op een intelligente manier in en met de stad maken?

  4. Anke van de Wiel schreef:

    Terecht punt; we kunnen niet zonder een bepaalde mate van regie. Wel elke keer van belang hoe de ‘regie’ in te vullen. Afhankelijk van de opgave! En organische ontwikkeling kan hierbij wel degelijk een interessante rol vervullen. Zie ook: http://vkzbv.nl/2016/09/vkz-blogt-organische-ontwikkeling-als-pauzenummer-of-gamechanger/

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *