Logo Ruimtevolk klein

Het publiek domein als grote gelijkmaker

Door de eeuwen heen was de stad de plek waar de werelden van arm en rijk voortdurend met elkaar in aanraking kwamen. De (semi) publieke ruimte van straten, pleinen, parken en koffiehuizen was de plek voor binding en ongedwongen ontmoeting tussen mensen van uiteenlopende sociale herkomst. Dit beeld is de veranderd. De stedeling van nu trekt zich steeds verder terug in zijn eigen bubbel, ook in de publieke ruimte. In deze longread gaan Sjors de Vries en Anne Seghers op zoek naar de gevolgen van deze ontwikkeling. Hun conclusie: er zijn nieuwe ruimtelijke strategieën nodig om ontmoeting en het doorprikken van deze bubbels in het publieke domein te stimuleren. Ze benoemen vijf opgaven voor de moderne stedenbouw en stadsplanning.

De stad is van oorsprong een veilige schuilplaats, een markt en een springplank naar maatschappelijke ontplooiing. Door de eeuwen heen was het de plek waar arm en rijk bij elkaar woonden en waar hun werelden voortdurend met elkaar in aanraking kwamen. Waar de elite de riante grachtenpanden bewoonde, werden de smalle zijstraatjes met kleine woningen bevolkt door de werklui. De (semi) publieke ruimte van straten, pleinen, parken, herbergen en koffiehuizen vormen van oudsher de plek voor binding en ongedwongen ontmoeting tussen mensen van uiteenlopende sociale herkomst en positie. Maar dit beeld is de afgelopen decennia geleidelijk veranderd. Meer dan ooit lijkt het stadsleven in dienst te staan van individuele behoeften en persoonlijke ontwikkeling. Hoe je je leven inricht en waar je gaat, bepaal je in toenemende mate zelf, net als met wie je omgaat. De stedeling lijkt zich steeds verder terug te trekken in zijn eigen bubbel. Hoe openbaart zich dit in de publieke ruimte? [1] Wat zijn de gevolgen? En zijn er strategieën denkbaar om ontmoeting en het doorprikken van deze bubbels in het publieke domein te stimuleren?

Ontbinding

De ongelijkheid in Nederland neemt toe. Het idee dat zich nieuwe sociale scheidslijnen in onze maatschappij manifesteren, zowel in sociaal-economische als ruimtelijke zin, werd lang beschouwd als een maatschappelijk onderbuikgevoel. Maar dit blijkt ook realiteit. Een doorbraak in het maatschappelijk debat was het rapport Gescheiden Werelden (2014) van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), waarin onderzoekers de groeiende tweedeling in de maatschappij ‘officieel’ bevestigden. De kernboodschap van deze analyse is dat, na de oude scheidslijnen van de verzuiling van de 20e eeuw, er nu sprake is van een nieuwe sociaal-culturele opdeling in twee families die zich ieder in een andere uithoek van de samenleving bevinden.

Stationsomgeving Breda. (Foto: RUIMTEVOLK)

De ene familie bestaat uit hoger opgeleiden, die overigens niet altijd over een hoog inkomen beschikken maar wel over een flinke dosis sociaal en cultureel kapitaal. Ze kijken met een positieve blik naar open grenzen en andere culturen. Deze groep bestaat uit ongeveer 30% van de bevolking. In de andere familie vinden we de lager en middelbaar opgeleiden, die geen grote netwerken hebben en over veel minder sociaal en cultureel kapitaal beschikken. Zij zijn vaak chauvinistischer en kijken met wantrouwen naar elite, immigratie en Europese eenwording.

In de steden is sprake van een sociaal-culturele opdeling in twee families. Beide families leven in toenemende mate in gescheiden werelden. Ze hebben hun eigen circuits.

Beide families leven in toenemende mate in gescheiden werelden. Ze gebruiken hun eigen communicatie- en mediakanalen. Ze hebben hun eigen circuits, niet alleen in sociaal en cultureel opzicht, maar ook in ruimtelijke zin. Ze leven in verschillende wijken, gebruiken verschillende functies en plekken in de stad. De hogeropgeleiden wonen vaker in universiteitssteden, in de oude 19e-eeuwse wijken, tuindorpen of jaren dertig wijken en de lageropgeleiden wonen over het algemeen vaker in voormalige groeikernen, krimpgebieden, Vinex-wijken en naoorlogse arbeiderswijken.[2] In het dagelijkse publieke en privéleven glijden ze het liefst ongestoord langs elkaar heen.

Tegenbinding

In Gescheiden Werelden waarschuwen de onderzoekers dat deze culturele en ruimtelijke scheiding een buitengewoon riskante ontwikkeling is. Immers, het feit dat de samenleving in toenemende mate in gescheiden circuits leeft, ondermijnt het empatisch vermogen en de binding van groepen binnen een gemeenschap. Dat raakt direct de fundamenten van een democratische samenleving. Want als je niet meer ziet of hoort hoe de ander leeft en denkt, kan de afkeer van de ander harder groeien. Het kan landen maar ook steden onbestuurbaar maken. Recente politieke ontwikkelingen in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk en ons eigen land illustreren dat en geven een verontrustend beeld.

In eerdere studies wees de WRR al op het belang van ‘tegenbinding’ in een samenleving: een productieve omgangsvorm tussen groepen met uiteenlopende belangen, verlangens of idealen.[3] Tegenbinding voorkomt volgens de raad vervreemding van de ander, bevordert de maatschappelijke participatie, zorgt dat de anonimiteit in een buurt afneemt en is een opmaat naar persoonlijke ontwikkeling en sociale cohesie. Tegenbinding kan op verschillende manieren ontstaan, zoals door burgerbetrokkenheid, maatschappelijke participatie en deelname aan sportactiviteiten, maar ook tijdens gezamenlijke momenten, zoals Koningsdag of een belangrijke wedstrijd van het Nederlands elftal.

Een democratische stad heeft veel belang bij het plaatsvinden van ontmoetingen van individuen en groepen in het publieke domein.

De publieke ruimte, het domein van alledaagse en terloopse ontmoeting tussen mensen en bevolkingsgroepen, neemt een belangrijke rol in binnen het palet van onderdelen dat tegenbinding doet ontstaan. Volgens socioloog Talja Blokland draagt de alledaagse, ongeplande ontmoeting bij aan het vermogen om ‘thuis te raken’ in een woonomgeving.[4] Daarnaast bevordert dit type ontmoeting het ontstaan van publieke familiariteit, oftewel publieke vertrouwdheid, en helpt het bij het vormen van sociaal kapitaal. Sociaal kapitaal stoelt immers op drie hulpbronnen – toegang tot sociale steun, toegang tot wegen naar sociale stijging en toegang tot informatie en nieuwe inzichten. Voor deze laatste hulpbron blijken sporadische ontmoetingen soms even waardevol als duurzame relaties.[5] De Vlaamse antropoloog Ruth Soenen toonde bovendien het belang aan van deze kortstondige contacten voor het sociale klimaat van de stad.[6] Kortom, in de sociologie zijn voldoende aanwijzingen te vinden dat de toevallige ontmoeting in het publieke domein maatschappelijke tegenbinding en publieke dialoog stimuleert. Bovendien is het publieke domein een van de weinige plekken waar de fysieke ontmoeting met de ander überhaupt tot stand kan komen.

Grotekerkplein Rotterdam. (Foto: RUIMTEVOLK)

Determinisme

Een democratische stad heeft dus veel belang bij het plaatsvinden van ontmoetingen van individuen en groepen in het publieke domein. Vertaald naar de hierboven geschetste sociaal-economische ontwikkelingen, vormt een goed functionerende openbare ruimte een uiterst waardevolle plek in de samenleving. Het is een van de weinige plekken in de samenleving waar stadsbewoners elkaars bubbels door kunnen prikken. De vraag werpt zich op hoe de publieke ruimte vanuit dat perspectief op dit moment functioneert en hoe de gewenste tegenbinding in de publieke ruimte vorm krijgt en eventueel gestimuleerd kan worden, om zo de steeds groeiende kloof tussen bevolkingsgroepen te overbruggen.

Stedenbouwkundigen en planologen zouden zich waarschijnlijk bescheidener opstellen wanneer ze kennis zouden hebben van dieper liggende drijvers achter de veranderingen in het functioneren van het hedendaagse publieke domein.

Wie deze vragen bestudeert, stuit op een opvallend gat tussen ambities enerzijds en een gebrek aan kennis van het functioneren van het publieke domein in het begin van de 21e eeuw anderzijds. Waar wijselijk de inclusieve, ongedeelde stad en de wens tot het stimuleren van ontmoeting als een rode draad door stedelijke projecten, leefbaarheidsplannen en stedenbouwkundige visies loopt, zien we dat de ruimtelijke wereld zich qua werkwijze in de regel beperkt tot gebiedsgerichte ingrepen in de vorm van heringerichte pleinen en plintenaanpakken. Waar de ruimtelijk professional vroeger een socioloog, geograaf, stedenbouwkundige en planner ineen was, gebruik makend van ‘survey before the plan’, is de ruimtelijke alleskunner verdwenen. De professie is versnipperd in langs elkaar heen pratende en werkende disciplines, die elkaar eigenlijk zo hard nodig hebben om sociaal-ruimtelijke opgaven werkelijk het hoofd te bieden.[7] Dit inzicht lijkt in de stadsplanning te ontbreken. Hier overheerst een hardnekkig ruimtelijk determinisme en romantisch denken, herkenbaar aan de aanname dat het ontwerp van de openbare ruimte (straat of plein) bepalend is voor het gewenste gebruik ervan. Stedenbouwkundigen en planologen zouden zich waarschijnlijk bescheidener opstellen wanneer ze kennis zouden hebben van dieper liggende drijvers achter de veranderingen in het functioneren van het hedendaagse publieke domein.

Eigen stad

Daarvoor moeten we even terug naar de industriële revolutie. In deze tijd vond een fundamentele omslag in het publieke leven in steden plaats. Mensen kregen de beschikking over een eigen woning waardoor ze letterlijk meer ruimte kregen voor privacy en het ontplooien van een privéleven. Het gevolg was dat de ontmoetingsfunctie zich verplaatste van buiten (publiek) naar binnen (privé), wat enorme consequenties voor het publieke domein als ontmoetingsplek met zich meebracht.

Sindsdien staat het openbare leven in toenemende mate in dienst staat van het privéleven. In zijn baanbrekende boek The Fall of Public Man (1974) beschrijft vooraanstaand socioloog Richard Sennett dat mensen steeds meer vervuld zijn geraakt van hun eigen particuliere emoties en levensdoelen. De openbare ruimte als plek waar de samenleving vorm gaf aan collectieve waarden, is de afgelopen anderhalve eeuw veranderd in een decor van het onafhankelijk opererende stedelingen en individuele zelfetalering. Deze ontwikkeling heeft zich de afgelopen decennia versneld doorgezet, mede onder invloed van de technologie. Daarbij komt dat (semi-)openbare ontmoetingsplekken zoals de buurtkroeg, het wijkcentrum en de buurtbibliotheek op grote schaal zijn verdwenen uit het straatbeeld. Hier ligt enerzijds de traditie van ruimtelijke functiescheiding aan ten grondslag, maar anderzijds is dit te wijten aan de trend van schaalvergroting en functieverbreding om kostendekkende en efficiënte (cultuur)clusters te realiseren.[8] Bovendien ontmantelde de ontzuiling de Nederlandse kerken, verenigingen en moskeeën als ontmoetingsplek voor verschillende bevolkingsgroepen.

We leven anno 2017 dan ook in een snel doorontwikkelende netwerksamenleving. Onze activiteiten zijn steeds minder verbonden aan onze eigen stad en verspreiden zich over een veel groter oppervlak. Het gevolg is dat het leven in de stad zich kenmerkt door individualisme, vluchtige contacten en gescheiden circuits. Het publieke leven is in toenemende mate gefragmenteerd. Er is steeds minder plek voor de gemeenschap of het laten zien van de gemeenschappelijke identiteit. De stad is een omgeving die we als individu à la carte gebruiken. We creëren in feite allemaal onze eigen stad, op basis van een persoonlijk netwerk van plekken waar we wonen (Meppel), werken (Assen), sporten (Zwolle) en uitgaan (Utrecht). We bezoeken – al dan niet als toerist – precies die gelegenheden, festivals, scholen en winkels die passen bij onze identiteit en we mijden andere plekken.[9] Enkel de plekken die voor ons van belang zijn, maken onderdeel uit van dit netwerk.

Gele lijnen projecteren nieuwe routes door de stad als onderdeel van het Rotterdamse architectuurfestival ZigZagCity. (foto: RUIMTEVOLK / Anne Seghers)

Die stad is voor iedereen anders en biedt niet iedereen dezelfde perspectieven. De ‘eigen stad’ van de hogeropgeleide kosmopolieten is daarbij (veel) groter dan die van de lageropgeleide stedelingen. Zij hebben immers een groter netwerk dat ze vooral opdoen via hun werk of studie. Hun vriendenkring is daarnaast losser en ‘functioneler’. Het netwerk van de lageropgeleiden is beperkter van omvang en leunt meer op de eigen buurt en familie.[10] Dus waar de kosmopoliet met zijn Herschel rugzak op hoge snelheid dwars door het ‘middenland’ van hotspot naar hotspot trekt, latte macchiato drinkt in hippe koffietenten en zijn baan in Enschede even gemakkelijk verruilt voor een uitdaging in Eindhoven of München, ontmoet de lageropgeleide stedeling zijn vrienden in de sportkantine, op het speelpleintje om de hoek of in het buurtcafé.[11]

Grote gelijkmaker

‘Logischerwijs’ overlappen deze persoonlijke netwerken enkel met dat van mensen net als henzelf en vindt overlap met de netwerken van mensen uit een ‘andere groep’ nauwelijks plaats.[12] Mensen hebben steeds effectievere strategieën ontwikkeld om de mensen die ze willen ontmoeten te ontmoeten en mensen die ze willen mijden te mijden.[13] Met de smartphone in de hand zijn deze gewenste ontmoetingen immers met een klik of swipe geregeld.

De stad is een omgeving die we als individu à la carte gebruiken. (…) We creëren in feite allemaal onze eigen stad, op basis van een persoonlijk netwerk van plekken waar we wonen (Meppel), werken (Assen), sporten (Zwolle) en uitgaan (Utrecht).

Dit heeft niet alleen gevolgen voor de dynamiek en het gebruik van het publieke domein, maar ook voor de verhouding van het individu met het publieke domein. De kosmopolitische burger beleeft de stad, of plek waar ze verblijft, vaak vluchtig en verbindt deze minder direct met de eigen identiteit. De Pools-Britse socioloog Sigmund Bauman spreekt hierbij over een vloeibare identiteit. Deze is altijd onbestemd en krijgt nooit vorm. In plaats van te wortelen in ons (publieke) leven, gooien we nu steeds ankers uit, die ons tijdelijk verbinden met een plek, maar die na enige tijd ook weer opgehaald kunnen worden om verder te reizen. Ook socioloog Richard Sennett wijst op het verlies aan binding met de plek, met name door kosmopolieten, dat gepaard gaat met een tanende affiniteit met de publieke zaak.

De stedelijke gemeenschap kampt direct met verregaande sociale en ruimtelijke gevolgen van een geïndividualiseerde samenleving. Het beeld van een eilandenrijk van enclaves doemt op, dat enkel uit plekken bestaat waar iets te halen of te beleven valt en waar gelijkgestemden elkaar vinden. De publieke ruimte als ‘grote gelijkmaker’ tussen sociale klassen heeft veel terrein verloren.[14]

Nieuwe opgaven

Steden staan voor de complexe uitdaging om het publieke leven weer dichter bij het ideaalbeeld te brengen, waarin de openbare ruimte functioneert als tegenbinder: als plek waar mensen in contact komen met andere ideeën, voorkeuren en gedrag en waar verrassing en reflectie plaatsvindt. Deze opgave is groter dan vaak gedacht wordt. Het vereist veel diepere en meer gelaagde gebiedsstrategieën dan het creëren van ‘walkable cities’, comfortabele pleinen, levendige plinten, ‘eyes on the street’ of prettige straatprofielen. Dit soort ingrepen brengt de verschillende families immers niet bij elkaar. Het opnieuw vormgeven van deze essentiële functie van de publieke ruimte vraagt om een intersectoraal bewustzijn, waarbij inzichten uit de sociologie, geografie en stedenbouwkunde en kennis over gemeenschapsvorming gekoppeld worden aan ruimtelijke ingrepen.

De openbare ruimte als tegenbinder; een uiterst complexe opgave.

De sociale en ruimtelijke disciplines zullen dwars door de schalen van straten, wijken en steden, dwars door het publieke en privé domein en dwars door hun eigen domeinen moeten gaan werken en loskomen van hun eigen determinisme. Ze zullen via uitwisseling en ontwikkeling van nieuwe kennis moeten komen tot betere antwoorden en alternatieve benaderingen voor een krachtiger publiek domein, vol maatschappelijke betekenis en als duurzame verbinder.

Camden Londen. (Foto: RUIMTEVOLK)

Dat is geen sinecure. Voordat gedacht kan worden aan oplossingen, is eerst een goede formulering van de nieuwe integrale opgaven noodzakelijk – opgaven die gefundeerd zijn op een speelveld van ruimte, programma en gemeenschapsvorming. Op basis van onze ervaring en literatuurstudie noemen we er vijf:

1. Samen stad maken

Een van de kernopgaven is het ‘samen stad maken’, waarbij het (opnieuw) organiseren van eigenaarschap of binding bij het publieke domein centraal staat. Waar de openbare ruimte nu wordt gezien als het domein van de individuele gebruiker en de verantwoordelijkheid van de overheid, zullen er nieuwe wegen verkend moeten worden om deze weer terug te plaatsen in het perspectief van belanghebbenden. Dat begint bij het warm onthalen van allerhande initiatieven van burgers en ondernemers. Wanneer bewoners en ondernemers de ruimte krijgen én voelen om zelf actief bij te dragen aan hun stad of wijk, ontstaat een humuslaag voor initiatieven. Deze stadsinitiatieven vertrekken vanuit een intrinsieke betrokkenheid bij de plek en kunnen, in co-creatie met anderen en ‘door het midden’ [15], doorgroeien tot plekken die een breed palet aan gebruikers aan zich weten te binden. Deze initiatieven vormen een wezenlijk onderdeel van een nieuwe stedelijke strategie van ‘samen stad maken’.

2. Nieuwe stadsharten

De stadskern als kloppend hart en agora van de stedelijke samenleving verdient een herwaardering. Dit omdat de binnenstad van oudsher qua beleving en identiteit de meest dominante plek in een stad is. Economische waarden voeren echter de boventoon in binnensteden. Consumenten, toeristen en flexwerkers bepalen het straatbeeld, de sfeer, dynamiek en de cultuur in de binnenstad. Om bij de analyse van Sennett te blijven, kan de hedendaagse binnenstad worden beschouwd als verzamelplaats voor individuele en commerciële etalages, waar het gezamenlijke belang geheel naar de achtergrond is verdwenen. Als we constateren dat er in steden weer vormgegeven moet worden aan tegenbinding en publieke waarden, dan zullen we nieuwe stadsharten moeten maken. Toegankelijke (semi-)publieke gebieden die een breed palet aan functies en belangen huisvesten en waar het alledaagse in verbinding staat met het lokale, politieke debat en het culturele leven. Dat dit ook in de 21e eeuw nog steeds in een behoefte voorziet, bewijzen de bruisende nieuwe bibliotheken en stedelijke ontmoetingsplekken zoals de Leeszaal in Rotterdam West, Rozet in Arnhem, of de bibliotheek in Deventer. Het zijn plekken die bevolkt en gebruikt worden door verschillende bevolkingsgroepen en waar ruimte is gecreëerd voor publiek debat.

3. Wonen en werken: overal in de stad

Als er een plek is waar de stedelijke samenleving onder druk staat, is het in de economisch succesvolle stad. Grote delen van Londen en Amsterdam zijn in toenemende mate slechts bereikbaar voor een selecte groep hoogopgeleide stedelingen. Hier wonen en werken de kosmopolieten. De lageropgeleiden hebben er steeds minder makkelijk toegang tot een woning en vinden lastig aansluiting bij de stedelijke arbeidsmarkt. De laagopgeleide jongere voelt zich steeds vaker een wees in een omgeving met alleen maar banen in de dienstensector; banen die aansluiten bij zijn werk- en denkniveau verschuiven naar de randen van de stad of zelfs daarbuiten. Deze steden gaan gebukt onder een verregaande ruimtelijke segregatie tussen bevolkingsgroepen. Ze zullen daarom moeten werken aan strategieën waarin wonen en werken in álle delen van de stad bereikbaar is voor álle bevolkingsgroepen. Dit vraagt om nieuwe manieren van denken over stadsontwikkeling, met een bredere waardeoriëntatie en een nieuwe opstelling van de overheid. Professionals en bestuurders staan voor de uitdaging om de eenzijdige oriëntatie op wonen en de (niet-) commerciële dienstensector in de stad om te buigen naar aandacht voor een plek met een meer evenwichtige arbeidsmarkt die ook banen in de productie en industrie omvat. Idealiter betekent dit het creëren van plekken of gebieden waar hoger- en lageropgeleiden weer door elkaar of zelfs met elkaar werken. Fablabs, werkplaatsen en repaircafés, zoals bijvoorbeeld te vinden in het Havenkwartier in Deventer, maar ook gebieden als Merwe-Vierhavens in Rotterdam of de Binckhorst in Den Haag laten zien hoe het ‘maken’ verschillende groepen kan samenbrengen.

4. Nieuw mozaïek van gebieden met gelijkgestemden

Het geforceerd ontwikkelen van gemengde woonwijken, blijkt niet te werken. Uit de literatuur en in de praktijk blijkt dat de ‘mantra van de mix’ in de dagelijkse leefomgeving een mythe is, die eerder leidt tot een botsing tussen leefstijlen of culturen met een desinteresse voor de omgeving als gevolg. Ongemengde wijken functioneren over het algemeen beter: bewoners kennen elkaar, voelen zich veiliger en hebben vaker contact. De stedenbouw en ruimtelijke planning staan voor de uitdaging om een nieuw evenwicht te zoeken in steden, met ruimte voor gebieden met gelijkgestemden, beperkingen voor grootschalige homogeniteit en slimme strategieën voor overgangszones en publieke domeinen voor tegenbinding en ontmoeting. Ideale steden vormen als het ware een fijnmazig patchwork met kleine eilandjes van overeenkomstige leefstijlen en talrijke verbindingen en uitnodigende publieke ruimtes ertussen, zoals het Julianapark in Utrecht of Park Presikhaaf in Arnhem. Dit zijn allebei publieke ruimtes die zich op een scharnierpunt bevinden tussen verschillende volksbuurten waarbinnen gegentrificeerde delen te vinden zijn. Hierdoor maken mensen met verschillende achtergronden gebruik van het park – tegelijkertijd en door elkaar heen – om te sporten, te barbecueën, te spelen met kinderen of te wandelen.

5. Ruimte voor onbestemdheid

Tot slot een pleidooi voor het ongeplande, voor voldoende ruimte voor het initiatief en het onverwachte. Want enige mate van ongedefinieerdheid in de openbare ruimtes, zoals onbestemde plekken en rommelige hoekjes, draagt bij het vergroten van de ontmoetingskansen. Michael Walzer bestempelt deze plekken als ‘open-minded spaces’, plekken die geschikt zijn voor een variëteit aan gebruik, inclusief het onverwachte en toevallige gebruik. Ze lokken uit tot rondhangen, wat een opmaat kan zijn voor uitwisseling tussen verschillende groepen. Dit soort plekken blijken vaak vruchtbaar voor het ontspruiten van allerhande stadsinitiatieven. Want waar de druk op de ruimte even niet zo groot is, waar een poos niet met een vergrootglas elke activiteit in de gaten gehouden wordt en waar bestemmingen tijdelijk fluïde zijn, is de stad voor iedereen toegankelijk en gedijt vroeg of laat nieuw eigenaarschap en het publieke debat. Zo groeit op Rotsoord, een voormalig industrielandschap midden in Utrecht waar onduidelijkheid over de toekomst het gebied jarenlang domineerde, een plek die een lappendeken aan mensen aan zich weet te binden. Hier bevindt zich onder andere een kinderboerderij, houtzagerij, een bewonersinitiatief om een brug over de Vaartsche Rijn te realiseren en een tijdelijk restaurant. Of denk aan het Bartokpark in Arnhem, dat van een ongeliefd braakliggend terrein, via de tijdelijke ingreep van een pop-up stukje Veluwe, uitgroeide tot een glooiend heidelandschap met een reusachtig Feestaardvarken erop en daarmee een nieuw icoon van Arnhem werd.

Herovering

Het besef dat de gewenste ontmoetingsfunctie van de publieke ruimte een complexe opgave is, die zowel bestuurders als professionals uit de sociale als ruimtelijke disciplines uitdaagt tot een gelaagder en actiever denken en handelen, is een eerste stap. Inzicht in de drijvende krachten achter de werking van het publiek domein en samenwerking met andere disciplines zijn noodzakelijke voorwaarden om er vervolgens mee aan de slag te gaan. Maar daarna is het ook een kwestie van gewoon beginnen. En bij het bewandelen van nieuwe wegen is het logisch dat je soms de verkeerde afslag neemt – dat is niet erg, zolang je maar de weg durft te vragen. Het op een duurzame wijze sleutelen aan de herovering van het publieke domein als maatschappelijke gelijkmaker en tegenbinder, vraagt immers een nederige houding en een iteratief proces.


Dit essay is geschreven in opdracht van het Trendbureau Overijssel, in het kader van de essaybundel ´Grotere Tegenstellingen?´. In deze publicatie gaan wetenschappers en andere experts in op de verschijningsvorm van grotere sociale en culturele tegenstellingen in de samenleving en behandelen ze lokale en regionale mogelijkheden van beleid rond dit thema.

Foto boven: Schouwburgplein Rotterdam, 2012 (Foto: RUIMTEVOLK  / Anne Seghers)

Bronvermelding:

[1] Wanneer we het hebben over publieke ruimte of publiek domein, richten we ons in dit essay op het stedelijk gebied.
[2] Sociaal Cultureel Planbureau en Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. (2014). Gescheiden werelden? Een verkenning van sociaal-culturele tegenstellingen in Nederland. (Den Haag)
[3] Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. (2012). Vertrouwen in burgers (Amsterdam: Amsterdam University Press)
[4] Talja Blokland, (2008). Ontmoeten doet ertoe (Uitgave Vestia)
[5] Talja Blokland, (2008). Ontmoeten doet ertoe (Uitgave Vestia)
[6] Ruth Soenen. (2006). Het kleine ontmoeten. Over het sociale karakter van de stad. (Antwerpen: Garant-Uitgevers)
[7] Agora Magazine voor sociaal-ruimtelijke vraagstukken (2012, nummer 2)
[8] Deze trend zorgt voor een samenvoeging van functies in multifunctionele accommodaties, waaronder ook Kulturhusen te scharen zijn. Hierdoor hoeft niet elke school, vereniging, buurthuis of sportclub zijn eigen gebouw te hebben, waardoor ze kunnen voortbestaan. Hoewel deze insteek goedbedoeld is en bijdraagt aan het op peil houden van het voorzieningenniveau, komt deze manier van opschaling de gemeenschapsvorming op een lager schaalniveau (de wijk, de kleine kern) niet ten goede. Hier vindt immers een leegloop plaats: clustering van functies in bepaalde wijken of kernen, betekent een verschraling elders.
[9] Maarten Hajer en Arnold Reijndorp. (2001). Op zoek naar nieuw publiek domein. (Rotterdam: NAi Publishers)
[10] Sociaal Cultureel Planbureau en Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. (2014). Gescheiden werelden? Een verkenning van sociaal-culturele tegenstellingen in Nederland. (Den Haag)
[11] David Ter Avest. (2015). Betekenisvolle ontmoetingsplekken. (Rotterdam: WMO werkplaats)
[12] Maarten Hajer en Arnold Reijndorp. (2001). Op zoek naar nieuw publiek domein. (Rotterdam: NAi Publishers)
[13] Maarten Hajer en Arnold Reijndorp. (2001). Op zoek naar nieuw publiek domein. (Rotterdam: NAi Publishers)
[14] Interview met Richard Sennett (2010). De tirannie van intimiteit. Gepubliceerd door de Groene Amsterdammer.
[15] De RUIMTEVOLK-publicatie Door het midden beschrijft de nieuwe samenwerking tussen bewoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en overheden om te werken aan de toekomst van hun kern.

Anne Seghers

Senior onderzoeker en redacteur

Anne is opgeleid als stedenbouwkundige en voelt zich thuis in de meer onderzoekende en beschouwende hoek van het vakgebied. Ze wordt geboeid door nieuwe en alternatieve manieren van stedelijke ontwikkeling, aanhakend bij ruimtelijk-maatschappelijke thema’s. Ze werkt graag samen met andere disciplines - zoals sociale geografie, economie, nieuwe media, fotografie of grafisch ontwerp - om zo een andere of aanvullende blik op de opgave te kunnen bieden. Anne heeft veel ervaring met (ontwerpend) onderzoek, schrijven, het opzetten van kennisprogramma’s en het organiseren van publieksactiviteiten. In het verleden werkte ze onder andere voor het Nirov (nu Platform31) en lokale architectuurcentra. Daarnaast is ze vakredacteur voor Blauwe Kamer, vakblad voor stedenbouw en landschapsarchitectuur. Bij RUIMTEVOLK werkt ze momenteel aan opgaven rond binnensteden, omgevingsvisies en energie en is ze redacteur van het webmagazine.

www.ruimtevolk.nl

Sjors de Vries

Directeur en adviseur

Sjors heeft RUIMTEVOLK opgericht vanuit de overtuiging dat de mens meer centraal moet staan in ruimtelijke vraagstukken. Zijn kracht is het vertalen van de vooruitstrevende opgaven van de 21e eeuw naar praktische perspectieven waarmee RUIMTEVOLK steden en regio’s ondersteunt. Met zijn jarenlange ervaring in het adviseren van overheden op verschillende schaalniveaus, weet hij als geen ander de agenda’s van overheden, instituties, marktpartijen, ondernemers en burgers bij elkaar te brengen. Daarnaast heeft hij ruime ervaring met projectmanagement, het modereren en organiseren van bijeenkomsten en het opzetten en coördineren van kennisprogramma’s rondom de opgaven van nu en de toekomst. Sjors is een spin in het web in de ruimtelijke ordening en voor onze opdrachtgevers organiseert hij graag samen met veelzijdige RUIMTEVOLK-netwerk kennis rondom elk mogelijk ruimtelijk vraagstuk. Sjors is van huis uit planoloog en sociaal geograaf.

https://ruimtevolk.nl